Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11616 tot 11620 van 11897
Nummer
1929, nr. 37, 14 sept. 1929
Blad
05
Tekst
koninkrijk. Een drukke stad waar hard VENETIË gezwoegd wordt. Maar tevens een stoffige, banale en onaantrekkelijke plaats, met veel te veel vermoeiende herrie in de stad en betrekkelijk weinig wat het oog boeit. Slechts één punt is er dat te midden van die vervelende huizenzee een eiland vorm van stralende schoonheid: „II Duomo,” de kathedraal. geheel vrij staande op het ruime hoofdplein van de stad. Een reusachtig speldekussen van Gothieke pinakeltjes en kruisbloemen en kogels en van wat voor sierlijke ornamenten de late Gothiek al niet heeft weten uit te denken om het voornaamste godshuis der machtige stad tot een waardig monument voor de eeuwen te maken. De eigenlijke vorm van de kerk gaat geheel verloren onder dien vracht van stekeltjes en tierelantijntjes. Honderden spitsen, en op elk ragfijn topje staat een sierlijk beeld. Alles wijst omhoog, ten hemel. Al is er geen bepaalde toren, doch enkel een onbeduidend dingetje dat slechts een klein eindje boven het mastbosch van pinakeltjes uitsteekt, toch is het hoofddoel van den gothieken stijl bereikt: het omhoogstrevende, het verlangen naar den hemelschen Gebieder. Men herkent intusschen de laatste stuiptrekking van een reeds al te verfijnden bouwstijl: verscheidene portalen en vensterbekroningen vertoonen reeds de vormen van een nieuwen stijl, de Renaissance, de bouworde der wedergeboorte van de klassieke vormen uit Griekenland, die zoo lang gesluimerd hadden, doch die thans opnieuw de wereld gingen veroveren. Geen schooner openluchtmusea echter dan de steden van Toscane, zooals Firenze, het kunstlievende Florence, waar de heele stad een aaneenschakeling is van boeiende bouwwerken uit allerlei stijltijdperken. En waar bovendien de musea een dusdanige verzameling van schilderijen bevatten dat men maandenlang noodig zou hebben om ze stuk voor stuk te bekijken. Zooals het nu gaat, slentert men zoo n beetje door de zalen en gangen, en zonder dat men het weet is men, al schilderijen bekijkende, op een overdekte brug van de Arno gewandeld en aan den overkant van de stad in een PANORAMA No. 3 7 14 SEPTEMBER heel ander museum terecht gekomen: een tocht op zichzelf! De zuiverste „museumstad” is evenwel het provinciestadje Pisa, voorheen machtig en rijk, daarna echter door het dichtslibben van de haven verarmd, totdat het tenslotte een saaie en onbeduidende plaats is geworden, waar eigenlijk op zichzelf weinig aan zou zijn. Maar . . . één stuk van de oude glorie is overgebleven, en dat gedeelte ligt geheel afzonderlijk, naast de tegenwoordige stad, omgeven door een muur met kanteelen, dus volkomen afgesloten oppervlakte. Onwillekeurig denkt men aan een feestterrein of aan een tentoonstelling buiten de stad. Daar liggen keurig achter elkaar op een grasveld de drie marmeren kostbaarheden der stad: het Battistero, naar den vorm net een keizerskroon in Gothiek beeldhouwwerk op Romaansche grondslagen. Daarnaast de ernstige en regelmatige Duomo, bijna geheel in zuivere Romaansche vormen, dezelfde die men bij onze Roermondsche en Maastrichtsche kerken toegepast vindt. En tenslotte de beroemdste van alle, de Scheeve Toren, die eigenlijk bestemd was om een gewone klokketoren te worden. Men heeft menigmaal gedacht aan opzet, aan een gril van den bouwmeester om dien toren zoo scheef te bouwen. Dergelijke kunstjes werden wel meer uitgehaald, vooral in de laatste dagen van de Gothiek. Men vindt iets dergelijks bijv, ook binnen in de St. Janskerk van den Bosch. Maar in die Romaansche dagen gaf men nog niet zoo licht aan een dergelijke virtuositeit toe, en zoo neemt men tegenwoordig aan dat de scheefheid een gevolg is van een verzakking, die reeds tijdens het bouwen begonnen is. Men kan den Scheeven Toren nog altijd beklimmen zonder eenig gevaar voor omvallen; maar het is een vreemde gewaarwording op die scheeve wenteltrap. Het ruiterstandbeeld van den vroegeren Koning Victor Emmanuel te Milaan. 3
PDF
Nummer
1929, nr. 37, 14 sept. 1929
Blad
06
Tekst
P A NOR A M A N o. 1.4 S E P T E M B E R * De ontzettende ramp op het tankschip „Vimeira" te Rotterdam. waarbij negen personen het leven verloren. Een foto van de blusschingspogingen. 4
PDF
Nummer
1929, nr. 37, 14 sept. 1929
Blad
07
Tekst
\ N O R A M A No. 3 7 1 4 S E P T E M B E R ,ï,Öe (V DE BOMAANSLAG op het Regeeringsgeboiiu? te Lüneburg. Werklieden onderzoeken de ruïnes naar resten uan de bom. DE WEDSTRIJDEN om de Schneider-cup aan het strand te Southsea werden door Waghorn met een ge middelde snelheid van 528 K,M, per uur ge wonnen.
PDF
Nummer
1929, nr. 37, 14 sept. 1929
Blad
08
Tekst
P A N O R A M A No. 3 7 1 4 S E P T E M B E R ncWtc 7>OOJ? CHA^ H et was de Natte die het meisje zag, toen zij voorzichtig de ongeverfde deur van Mc Murtie's kroeg opende, en door de dikke rook naar de groep goudzoekers keek, alsof zij iemand zocht. Maar de Natte, die op het platform stond met een glas van het vergif, dat Mc Murtie whisky noemde, in de hand, terwijl een liedje met dubieuze woorden en een meesleepende melodie van zijn lippen kwam, wendde vlug de oogen af toen hij haar heel even gezien had. Toen het liedje uit was — en, al was hij driekwart dronken, hij gaf de finale zoo fleurig als een artist — sprong hij op den vloer, drong door de joelende menigte, zonder acht te slaan op het bis-geroep, deed de deur open en vond erbuiten het verlegen aarzelende meisje. Zij ging onwillekeurig een stap terug toen hij diep de frissche nachtlucht inademde en de Natte, die beweging opmerkend, deed zijn best om normaal te schijnen en nam het overschot van zijn breedgeranden hoed van het hoofd. „Had u iets noodig, juffrouw Mercy?" vroeg hij, met al zijn kracht kampend tegen den opkomenden hik. Miss Mercy trok haar shawl dichter om het hoofd als om haar gelaat te verbergen voor zijn dronken-ernstigen blik. „Ik.... mijn vader is weer erger," zei ze neerslachtig alsof ze wel wist, dat ze toch vergeefsche moeite deed, „ik kwam zien of er iemand was, die naar Hondenoor-kamp zou willen rijden, om den dokter te roepen. " „Een dok... dokter noodig?" zei de Natte plechtstatig. „Hondenoor... bl,.. blikslagers vlug heen rijden ? 't Is in orde, miss Mercy! Hier staat de man dien u zoekt!" „U?" sprak ze aarzelend. „Maar... maar u bent,.. niet erg in orde..." „N... niet... in orde ?" Zijn blauwe oogen keken verwijtend. „Nooit zoo goed in orde geweest. Zult u zien!" Hij ging, wankelend, naar de waterton terzij van de herberg, gooide zijn hoed opzij en plonsde het hoofd in het vocht; en als het water niet siste, had het zulks toch hóóren te doen. Nadat hij de bewerking tweemaal herhaald had kwam de Natte weer naderbij, — ernstig, en nuchter. „Gaat u maar naar huis, naar den ouden heer, miss Mercy," zei hij, zoo vast van stem als een predikant, „en ik breng den dokter bij u vóór u tijd hebt om Jan Jansen te zeggen." Nog twijfelend uitte het meisje een wantrouwig „dank u", keerde zich om en spoedde zich naar het houten huis, waar haar vader ziek lag. Walter Clausen — de jongens hadden hem op het eerste gezicht „den Doek" gedoopt — was enkele weken tevoren in Droogbeen-kloof gearriveerd met. natuurlijk, dezelfde bedoeling als de rest der bevolking van de kleine nederzetting, n.1. om te graven naar het goud, waarvan de aanwezigheid kort te voren was geconstateerd. Hij was een verloopen heer van goede familie, die... maar wat doet zijn geschiedenis er toe? Zeker is het, dat géén plekje op aarde minder geschikt kon heeten voor hem en zijn dochter dan juist de plaats, waar hij nu ziek lag. Het zou onjuist zijn te beweren, dat dr. Ricketts verbaasd opkeek toen de Natte verscheen op het groote paard, dat hij geleend had zonder des eigenaars permissie te vragen; of toen hij het verzoek te hooren kreeg, „als de hel" naar Droogbeen-kloof te komen; de jonge dokter had namelijk het vermogen, zich over iets te verwonderen, sinds lang verloren. Bijna geen woord sprak hij, en hij nam BRANDING AAN HET STRAND BIJ NERVl zijn eigen paard en hield zoo goed hij kon gelijken pas met het rijdier van den Natte — want hij wist heel goed dat deze, al een gevaarlijk heer als hij nuchter was. zonder aarzeling zijn revolver zou gebruiken als hij weigerde of trachtte te ontkomen Toen de dokter bij den Doek binnen was droogde de Natte de paarden en voe derde ze en ging toen naast de dieren liggen; maar hij sprong aanstonds overeind toen de dokter weer buiten kwam. „En?" vroeg hij, een paar stappen opzij gaande om niet gehoord te worden „Hij is er leelijk aan toe," zei de dokter „Een vriend van je?" „Mijn lang verloren broer van een anderen vader en moeder." zei de Natte doodernstig. „Ja. ... hij is lang niet best," herhaalde de dokter, „het is hier niet goed voor hem „Hoe is t mogelijk!" spotte de goudzoeker, „zoon mooi lief plaatsje? Geeft u hem nog een kans doe ?" Ricketts antwoordde met professioneele vaagheid „Hum — j-ja. Als hij hier vandaan gaat — en direct. Maar het meisje — een lief meisje, en een dame ook! — vertelt me. dat ze arm zijn, volkomen platzak. Het is een schandaal, zoo n kind hier te brengen." „Dat is het net," zei de Natte minzaam „U hebt den spijker direct op den kop geraakt, dokter. Wilt u een borrel?" Zij gingen naar het kroegje, en terwijl de dokter langzaam zijn ééne glas dronk goot de Natte met roekelooze hand het vergif naar binnen. Hij was inderdaad erg dronken toen hij zich vervoegde bij Slater, den eenigen kapitalist van Droogbeen, en dat even voorzichtige als laaghartige individu twintig pond ter leen vroeg. Slater, verontwaardigd. antwoordde met een onbetamelijk korte weigering, de Natte sloeg hem koelbloedig tegen den grond en waggelde naar buiten, zonder zich aan getier of uitdaging te storen. Hij lag in de frissche lucht tot den morgen, en ontwaakte juist op tijd om miss Mercy te zien naderen. Bijna was ze hem voorbijgeloopen. maar de dankbaarheid won het van de walging en dus bleef ze staan. „Ik.... ik wou u komen bedanken, meneer. . . " „Zegt u maar Brown, sprak de Natte ernstig. Zijn naam was Clyne — van de Clyne's uit Warwickshire „.... Meneer Brown. Het was heel vriendelijk van u. Ik geloof niet, dat iemand anders zoo vlug had kunnen rijden. En mijn vader., Zij zweeg en trachtte een huivering te bedwingen; want het bloed stroomde neer uit een wond in het voorhoofd van den Natte — een wond, zoo onbeduidend in vergelijking met de kwetsuren, die hij gewoonlijk had, dat hij er nog niet eens van wist; en zij walgde van de afschuwelijke dranklucht, die de Natte haar toeademde „Mijn vader is u ook heel dankbaar — O, waarom leidt u toch zoo n afschuwelijk leven!" onderbrak zij zichzelf. „Zeker, heel zeker moet een man met zoo n goed hart veel te goed zijn, om zich op zoo n plaats als hier te vergooien !" Zij was al weg vóór de Natte van den schrik bekomen was; maar toen hij t zoover gebracht had kon hij niet anders 6
PDF
Nummer
1929, nr. 37, 14 sept. 1929
Blad
09
Tekst
P A N O R A M A No. 37 14 SEPTEMBER doen dan steeds maar in zichzelf herhalen haar medelijdend-vermanende woorden. Dien morgen werd een uiterst zeldzame vertooning in Droogbeen-kloof ten beste gegeve: de Natte was zoo waar aan ’t werk op zijn claim. De nieuwsgierige toeschouwers, die zich een opmerking veroorloofden, kregen een antwoord met zoo lakonieke welsprekendheid, dat zij zich van verdere aardigheden onthielden en wijselijk het veld ruimden; en zoo was de Natte alleen toen hij, tegen zonsondergang, stiet op een klompje goud van heel behoorlijke afmeting. Met verbazing en tevredenheid bekeek hij den kleine gelen vreemdeling en als vanzelf gingen zijn oogen van het goud in de richting der herberg. Hij kwam overeind met het goud in zijn hand, gereed om in rechte lijn naar de inrichting van McMurtey te stevenen; maar plotseling bleef hij staan en keek voorzichtig rond. Op één na de naaste claim was het onprofijtelijk stuk grond van den Doek. De Natte ging er heen, woelde vlug wat aarde op en begroef er het waarschijnlijk zeer verbaasde klompje goud in. Den volgenden morgen, toen miss Mercy de deur opende wijl er geklopt werd, zag zij den Natte staan. Hij had zijn haar gekamd en zijn buis dichtgeknoopt en zijn blauwe oogen leken op die van een kind: een man kan veel drinken zonder dat het hem erg deert, als hij met vechten veel lichaamsbeweging krijgt en vaak in de open lucht slaapt. ..Hoe maakt de Doe. . . uw vader het vanmorgen ?” vroeg hij bedeesd. ..Wel wat beter.” antwoordde ze. „dank zij uw hulp.” „Den dokter niet te vergeten,” zei hij. „Ik kwam eigenlijk voor zaken, miss Mercy. Misschien wilt u aan uw vader zeggen dat ik op die claim van hem wil werken op conditie van samen deelen, als hij het goed vindt. Ik heb idee in dat stukje gekregen.” Zij keek hem verbaasd aan, maar ging naar binnen; en hij hoorde de zwakke stem van den zieke zeggen: „Och ja, mij best — als hij er plezier in heeft 1 Maar er zit niets in. En ik ben bang dat hij zijn heele portie verdrinken zou, als er wat in zat.” „Ja, daar ben ik ook bang voor.. . de arme stumper,” gaf miss Mercy zuchtend toe. En toen kwam zij buiten met de gevraagde permissie. „Dus dat is dan in orde,” zei de Natte, met een zoo onnoozel gezicht, dat het meisje tot haar stervensdag toe niet vermoed heeft hoe scherp zijn gehoor was. Hij ging heen met een houweel over den schouder; en een paar uur later kwam hij terug met een klompje goud. „Ik had een soort van voorgevoel dat daar goud zat,” zei hij schuw toen miss Mercy het stond aan te zien met half open mond en schitterende oogen, gelukkig in het bewustzijn, dat dit de verlossing uit Droogbeen-kloof beteekende. „Met de helft hiervan zult u er wel komen niet?” zei hij. „Ik krijg mijn portie als de agent komt. Hij moet er vandaag al zijn. Zeg den Doek dat ie er den moed maar in houdt en laat hij u helpen inpakken.” Hij wachtte niet op haar antwoord en haar vreugdebetuigingen en ging naar de herberg. De agent was juist aangekomen en de Natte, buiten nog bezig de klei van zijn laarzen te schrapen, hoorde hem groot nieuws vertellen. „Ja, zijn ouwe man en zijn broer zijn er alle twee tusschen uit, en nu krijgt de Doek de heele kluit. Rijk? Rijk is er nog niks bij. En blauw bloed ook. Hij is een van de groote Engelsche aristocraten! Blikslagers! Droogbeen-Kloof zal nog barsten van grootschigheid als het nieuws bekend wordt. Ik ga gauw naar de Doekerij om het te vertellen. Voorzichtig voorbereiden ? Ja natuurlijk — wat denk je van me ? Hallo Natte! Hé wat heb jij! Je kijkt of je je lievelingsgrootmoeder begraven hebt. Bestel maar — mijn rekening, ’t Nieuws gehoord ?'* * „Ik ben wel blind maar niet doof,” gaf de Natte ten antwoord en hij bestelde. De agent was waarschijnlijk niet héél voorzichtig geweest, want miss Mercy was bleek tot in haar lippen toen zij, een half uur later, door de nieuwsgierige en sympathiseerende menigte heendrong alsof zij iemand zocht. Het bleek de Natte te zijn, die met zijn zoetste stemgeluid Home Sweet Home stond te zingen, op een harmonica begeleid door een collega, die minstens even dronken was als de zanger. De Natte stuitte zijn stroom van melodie en keek haar plechtig aan toen zij voor hem bleef staan. „Ik. . . wou je even spreken,” zei ze aarzelend; want zij was er niet zeker van of hij nuchter genoeg was om haar te begrijpen. Maar de Natte knikte aanmoedigend en volgde haar naar buiten. „Wij hebben goed nieuws gehoord,” zei ze. „Mijn vader heeft geërfd; hij. . . we zijn rijk. Wij gaan hier onmiddellijk vandaan. Hij wou u bedanken; en hij. . . we. . . ik zou graag hebben, dat u dit heelemaal hield als. . . als bewijs van onze dankbaarheid voor uw vriendelijkheid.” „Dit” was het klompje goud. De Natte nam het aan, keerde het om en om. Zijn gezicht werd rood, toen bleek en zijn lippen trokken zich samen tot een rechte lijn. Toen plotseling ontspanden zij zich en hij lachte; lachte zoo lang en vreemd, dat miss Mercy er van schrok en vluchtte, „Heb je ’t hem gegeven?” vroeg haar vader, toen ze ademloos thuiskwam. „J-a. Maar — hij was zoo dronken, de stakker, dat ik niet geloof dat hij ’t begrepen heeft,” hijgde ze. „Hij lachte alleen maar.” V GEVAARLIJKE LIEFKOOZING, 7
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11616 tot 11620 van 11897