|
P A N O R A M A No. 3 7 1 4 S E P T E M B E R
ncWtc
7>OOJ? CHA^
H
et was de Natte die het meisje zag,
toen zij voorzichtig de ongeverfde
deur van Mc Murtie's kroeg opende, en
door de dikke rook naar de groep goudzoekers keek, alsof zij iemand zocht. Maar
de Natte, die op het platform stond met
een glas van het vergif, dat Mc Murtie
whisky noemde, in de hand, terwijl een
liedje met dubieuze woorden en een meesleepende melodie van zijn lippen kwam,
wendde vlug de oogen af toen hij haar
heel even gezien had. Toen het liedje uit
was — en, al was hij driekwart dronken,
hij gaf de finale zoo fleurig als een artist
— sprong hij op den vloer, drong door de
joelende menigte, zonder acht te slaan op
het bis-geroep, deed de deur open en vond
erbuiten het verlegen aarzelende meisje.
Zij ging onwillekeurig een stap terug
toen hij diep de frissche nachtlucht inademde en de Natte, die beweging opmerkend, deed zijn best om normaal te
schijnen en nam het overschot van zijn
breedgeranden hoed van het hoofd.
„Had u iets noodig, juffrouw Mercy?"
vroeg hij, met al zijn kracht kampend tegen
den opkomenden hik.
Miss Mercy trok haar shawl dichter om
het hoofd als om haar gelaat te verbergen
voor zijn dronken-ernstigen blik.
„Ik.... mijn vader is weer erger," zei ze
neerslachtig alsof ze wel wist, dat ze toch
vergeefsche moeite deed, „ik kwam zien of
er iemand was, die naar Hondenoor-kamp
zou willen rijden, om den dokter te roepen. "
„Een dok... dokter noodig?" zei de Natte
plechtstatig. „Hondenoor... bl,.. blikslagers
vlug heen rijden ? 't Is in orde, miss Mercy!
Hier staat de man dien u zoekt!"
„U?" sprak ze aarzelend. „Maar... maar
u bent,.. niet erg in orde..."
„N... niet... in orde ?" Zijn blauwe oogen
keken verwijtend. „Nooit zoo goed in orde
geweest. Zult u zien!"
Hij ging, wankelend, naar de waterton
terzij van de herberg, gooide zijn hoed opzij
en plonsde het hoofd in het vocht; en als
het water niet siste, had het zulks toch
hóóren te doen. Nadat hij de bewerking
tweemaal herhaald had kwam de Natte
weer naderbij, — ernstig, en nuchter.
„Gaat u maar naar huis, naar den ouden
heer, miss Mercy," zei hij, zoo vast van
stem als een predikant, „en ik breng den
dokter bij u vóór u tijd hebt om Jan
Jansen te zeggen."
Nog twijfelend uitte het meisje een wantrouwig „dank u", keerde zich om en
spoedde zich naar het houten huis, waar
haar vader ziek lag.
Walter Clausen — de jongens hadden
hem op het eerste gezicht „den Doek" gedoopt — was enkele weken tevoren in
Droogbeen-kloof gearriveerd met. natuurlijk, dezelfde bedoeling als de rest der bevolking van de kleine nederzetting, n.1. om
te graven naar het goud, waarvan de aanwezigheid kort te voren was geconstateerd.
Hij was een verloopen heer van goede
familie, die... maar wat doet zijn geschiedenis er toe? Zeker is het, dat géén plekje
op aarde minder geschikt kon heeten voor
hem en zijn dochter dan juist de plaats,
waar hij nu ziek lag.
Het zou onjuist zijn te beweren, dat
dr. Ricketts verbaasd opkeek toen de Natte
verscheen op het groote paard, dat hij geleend had zonder des eigenaars permissie te
vragen; of toen hij het verzoek te hooren
kreeg, „als de hel" naar Droogbeen-kloof
te komen; de jonge dokter had namelijk
het vermogen, zich over iets te verwonderen,
sinds lang verloren.
Bijna geen woord sprak hij, en hij nam
BRANDING AAN HET STRAND BIJ NERVl
zijn eigen paard en hield zoo goed hij kon
gelijken pas met het rijdier van den Natte
— want hij wist heel goed dat deze, al
een gevaarlijk heer als hij nuchter was.
zonder aarzeling zijn revolver zou gebruiken
als hij weigerde of trachtte te ontkomen
Toen de dokter bij den Doek binnen
was droogde de Natte de paarden en voe
derde ze en ging toen naast de dieren
liggen; maar hij sprong aanstonds overeind
toen de dokter weer buiten kwam.
„En?" vroeg hij, een paar stappen opzij
gaande om niet gehoord te worden
„Hij is er leelijk aan toe," zei de dokter
„Een vriend van je?"
„Mijn lang verloren broer van een
anderen vader en moeder." zei de Natte
doodernstig.
„Ja. ... hij is lang niet best," herhaalde
de dokter, „het is hier niet goed voor hem
„Hoe is t mogelijk!" spotte de goudzoeker, „zoon mooi lief plaatsje? Geeft u
hem nog een kans doe ?"
Ricketts antwoordde met professioneele
vaagheid
„Hum — j-ja. Als hij hier vandaan gaat —
en direct. Maar het meisje — een lief
meisje, en een dame ook! — vertelt me.
dat ze arm zijn, volkomen platzak. Het is
een schandaal, zoo n kind hier te brengen."
„Dat is het net," zei de Natte minzaam
„U hebt den spijker direct op den kop
geraakt, dokter. Wilt u een borrel?"
Zij gingen naar het kroegje, en terwijl
de dokter langzaam zijn ééne glas dronk
goot de Natte met roekelooze hand het
vergif naar binnen. Hij was inderdaad erg
dronken toen hij zich vervoegde bij Slater,
den eenigen kapitalist van Droogbeen, en dat
even voorzichtige als laaghartige individu
twintig pond ter leen vroeg. Slater, verontwaardigd. antwoordde met een onbetamelijk korte weigering, de Natte sloeg
hem koelbloedig tegen den grond en waggelde naar buiten, zonder zich aan getier
of uitdaging te storen. Hij lag in de frissche
lucht tot den morgen, en ontwaakte juist
op tijd om miss Mercy te zien naderen.
Bijna was ze hem voorbijgeloopen. maar
de dankbaarheid won het van de walging
en dus bleef ze staan.
„Ik.... ik wou u komen bedanken,
meneer. . . "
„Zegt u maar Brown, sprak de Natte
ernstig. Zijn naam was Clyne — van de
Clyne's uit Warwickshire
„.... Meneer Brown. Het was heel vriendelijk
van u. Ik geloof niet, dat iemand anders
zoo vlug had kunnen rijden. En mijn vader.,
Zij zweeg en trachtte een huivering te
bedwingen; want het bloed stroomde neer
uit een wond in het voorhoofd van den
Natte — een wond, zoo onbeduidend in
vergelijking met de kwetsuren, die hij gewoonlijk had, dat hij er nog niet eens van
wist; en zij walgde van de afschuwelijke
dranklucht, die de Natte haar toeademde
„Mijn vader is u ook heel dankbaar —
O, waarom leidt u toch zoo n afschuwelijk
leven!" onderbrak zij zichzelf. „Zeker, heel
zeker moet een man met zoo n goed hart
veel te goed zijn, om zich op zoo n plaats
als hier te vergooien !"
Zij was al weg vóór de Natte van den
schrik bekomen was; maar toen hij t
zoover gebracht had kon hij niet anders
6
|