|
P A N O R A M A N o. 3 4 2 4 AU G U S T U S
K. LESTEg
N
iet doen, Ruth! Hij volgt ons weer!"
Bijna gelijktijdig met de waarschuwende woorden van Fanny Eden trok Ruth
Nevein haar elegant gehandschoende kleine
hand terug — leeg. Zonder een enkele
vraag volgde zij haar vriendin, die in de
richting van de lift liep.
„We hebben vandaag geen geluk,” zei
Fanny, toen zij het warenhuis verlieten.
„Ik ben niet spoedig achterdochtig, maar
wanneer dezelfde kerel twee onschuldig uitziende meisjes op de hielen volgt door drie
winkels, wordt ’t tijd huiswaarts te gaan.
Een volgenden keer beter."
„Jammer; ’t was zoo’n pracht vos," zei
Ruth spijtig. „Jammer. Weet je zeker dat
je geen vergissing hebt gemaakt?"
„Mijn zaak is het te kijken, en de jouwe
te nemen; ik ben de oogen en jij bent de
handen. Kijk maar eens even achter je. Dat
is geen kerel, die een meisje naloopt, alleen
om kennis te maken. Op mijn woord Ruth;
dat is een detective; ik voelde het, zoodra
ik hem gewaar werd. Nieuw systeem van
de groote zaken, verdachte bezoekers te
volgen. Zie je hem? Met die bruine overjas."
Ruth’s schijnbaar onschuldige, blauwe
oogen wierpen een blik naar achter.
„Oh Fanny; hij is vlak achter ons."
„Precies, en daar blijft hij tot de winkels
gesloten zijn en wij naar huis gaan. Kunnen
dat evengoed daarom dadelijk doen. Laten
we deze bus nemen."
De beide winkel-dieveggen stapten in de
bus, en Fanny's donkere oogen fonkelden,
toen hun schaduw volgde en tegenover
haar plaats nam.
De heer met de bruine overjas bleek in
’t minst niet gevoelig voor de verachtelijke
blikken der chic gekleede dames. Toen zij
uitstapten, bleef hij zitten.
„Natuurlijk," schamperde Fanny, toen
zij hun flat bereikt hadden; „het sluitingsuur is nu voorbij. Heeft ons den heelen
middag gevolgd en onze beste kansen bedorven.”
„Morgen meer geluk, misschien," zei Ruth.
„Misschien!" echode Fanny sarcastisch.
„Je kunt je overtuigd houden dat hij morgen bij den hoek van de straat op ons
staat te wachten. En vanavond is hij thuis
bezig ons signalement op te maken — hij
heeft ons genoeg kunnen opnemen en morgen," ratelde Fanny door, „kijkt iedere
winkel-detective uit naar een aardig uitziende kleine dame met een moedervlekje
links van haar neus. Dat ben jij. Wat mij
betreft, iemand die een half hoofd boven
de meeste menschen uitsteekt, is al heel
makkelijk te herkennen. Wat moeten we
doen? Scheiden en ieder voor eigen rekening gaan werken? Of verhuizen?”
„O Fanny; laten we toch samen blijven.
Het ging zoo goed. Je ziet het misschien
veel te zwaar in. Hij weet denkelijk niet
eens waar we wonen."
„Hoeft hij niet te weten. Vandaag of
morgen snapt hij ons op heeterdaad. Hij is
een scherpzinnige kerel ; dat zag ik dadelijk,
’t Is, of ik het interieur van het politiebureau al zie."
„O Fanny; hou op,” riep de blauwoogige,
vlug-vingerige Ruth. „Ik zal thee zetten en
dan gaan we wat eten; dat zal ons opknappen.”
Zonder antwoord af te wachten van haar
pessimistische partner, vloog Ruth naar de
keuken; en Fanny liet zich in een stoel
zakken. De kamer, die zij rondzag, was
weelderig gemeubeld en de andere vertrekken waren naar verhouding.
„Drie kamers en een badkamer; chique
buurt." peinsde Fanny. „Maar we hebben
zoo goed als geen contanten meer en... .
wat is er, Ruth?"
„Het water kookt, maar we hebben
geen thee."
„Laten we dan koffie drinken."
„Koffie is er ook niet," klaagde Ruth;
„we hebben niets, ook geen eten. Niets
dan wat suiker en gecondenseerde melk.”
„Heb je dan niets besteld?"
„Neen; zonder geld willen ze ons niets
meer leveren. Ik heb er vanmorgen niets
van gezegd, omdat ik zeker dacht dat we
vanavond contant geld zouden hebben.
Door dien ellendigen detective heb ik er niet
meer aan gedacht. O Fanny, wat moeten
we doen?"
Fanny zonk dieper weg in haar stoel.
„Dat is de climax," zuchtte ze. „Geen
voldoende geld in huis; ons arbeidsterrein
gesloten en niets te eten dan suiker en gecondenseerde melk. — Maar ik ben niet
van plan zonder eten naar bed te gaan.
Daar moet ik iets op vinden. Schiet op,
Ruth, en laat me denken."
Twintig minuten gingen voorbij. Toen,
na een zorgvuldige studie van den telefoongids ging Fanny naar de slaapkamer, waar
haar garderobe berustte. Zij kwam terug in
de zitkamer, gekleed in een eenvoudige
zwarte japon, gedeeltelijk bedekt door een
wit kanten boezelaartje. Over haar arm hing
een zwarte cape. Zij leek onmiskenbaar op
een dienstbode en Ruth zag haar aan, meer
dan verbaasd.
„Gaap me niet zoo aan," zei Fanny, nu
weer lachend. „Ik ben de nieuwe meid van
Mrs. Trevor, je weet wel, die twee straten
verder woont. Neen, vraag me niets; ik
heb haast. Ik moet nog telefoneeren naar
den winkel die haar levensmiddelen levert,
vóór die sluit. Ik weet welke dat is, want
ik heb den vrachtauto een paar maal voor
haar huis zien staan." Zij wierp de cape
over de schouders en liep naar de deur.
„Als je me over een half uur niet terug
ziet met de boodschappen, ben ik gesnapt.
Kijk niet zoo idioot. Tot straks.
Na een volkomen bevredigende conversatie in een publieke telefooncel, wandelde
Fanny naar de straat waar Mrs. Trevor
woonde. Eenige minuten vóór de lichten
van den vrachtauto op den hoek van de
straat zichtbaar werden, slipte Fanny in de
duisternis van de groote poort, die toegang
tot het huis verleende. De cape wierp zij
achter een bloemenbak, en wachtte. Zij stond
naast het raam van de souterrain-keuken.
Door de opening van het een weinig naar
beneden gelaten raam klonk het geklik-klak
van borden, en daar tusschen door hoorde
Fanny duidelijk de conversatie der dienstboden. Het gesprek, dat zij aldus afluisterde
was interessant, belangrijk zelfs; maar haar
aandacht was zoozeer gericht op de verwachte aankomst van den vrachtauto, dat de
beteekenis van het gehoorde niet dadelijk
tot haar doordrong.
Toen de auto voor het huis stopte, kwam
uit de poort een groote glimlachende dienstbode op den chauffeur toe.
„All right. zei ze, het pak van den
jongen overnemend. „Neen, laat maar; ik
draag het zelf wel even naar binnen. —
Wat? — Ja, ik ben de nieuwe meid. Spijt
me. dat ik zoo laat nog moest bestellen,
maar ik had veel te weinig in huis. Dank
je wel. Goeden avond."
„Avond,” gaf de chauffeur terug, en
wipte achter zijn stuurrad.
Even vlug, maar met minder lawaai,
snelde Fanny naar het hoekje waar haar
cape lag. sloeg die weer om en liep,
onopgemerkt als zij was gekomen, naar
huis.
„Dat is in elk geval genoeg voor vanavond," zei de handige Fanny toen zij in
de keuken tegenover de verbaasde Ruth
stond. „Meer dorst ik niet te bestellen, uit
vrees dat ik het niet zou kunnen dragen.
— Ruthie dear; je ziet dat ik met mijn
hoofd soms even vlug ben als jij met je
vingers. Nu, me dunkt, we moesten maar
beginnen.”
Halverwege het feestmaal, zoo makkelijk
maar onrechtvaardig verkregen, werd de
spraakzame Fanny stil en scheen plotseling
in gepeins verdiept.
„Ruth." heropende zij toen plotseling het
gesprek, „hebben we die twee avondmantels
nog; je weet wel, die van Sear’s?"
Ruth knikte van ja.
„En een paar behoorlijke avondjaponnen?"
„Zeker; die we toen op die partij in
Brighton hebben gedragen; een geelzijden
van mij en . .. ."
„In orde. Toen ik daar op dien auto stond
te wachten, hoorde ik een gesprek van de
dienstboden. Zoek jij de mantels en de japonnen bij elkaar; inmiddels zal ik je vertellen wat ik hoorde en wat mijn plan is.
— Nu luister:
Mrs. Trevor moest vanavond naar een
partij, maar haar zuster werd onverwachts
ziek en daarom moest zij de uitnoodiging
afzeggen. Ik hoorde de een tegen de ander
zeggen dat zij akelig van angst was, dus
luisterde ik onwillekeurig aandachtiger."
„Wie was akelig van angst? Mrs. Trevor ?"
„Neen, de meid. Val me niet in de rede,
Ruth. Er is voor vijf of zesduizend pond
aan juweelen in huis, die Mrs. Trevor
vanmorgen van de bank heeft laten komen.
Zij had die vanavond moeten dragen. Nu
liggen ze in haar boudoir, vertelde het
kamermeisje. Begrijp je onze kans. Ruth ?
De juweelen in huis, Mrs. Trevor naar
haar zuster! en slechts twee dienstboden
aanwezig."
„Maar hoe komen we binnen?"
„Avondjapon, een geschikt praatje en
een opzettelijk ongelukje. Maak de haartang even heet, en luister verder wat jij
doen moet.
Even over tien uur opende de meid van
den huize Trevor heel voorzichtig de deur
op een kier. Want haar kameraad was
ook uitgegaan en de gedachte, alleen in
huis te zijn met de kostbare juweelen, had
haar wat zenuwachtig gemaakt. Door de
kier keek zij in de onschuldige blauwe
oogen van een jonge dame in avondcos6
|