|
PANORAMA No. 29 20 JULI
Onder officieel Toezicht
door F. A. Symons.
M
r. Joseph Hoskins, administrateur van
het stoomschip „City of Arizona”,
rammelde met het losse geld in zijn broekzakken, zette zijn pet achter op zijn kale
hoofd en glimlachte veelbeteekenend.
Hij koos zorgvuldig een sigaar uit het
kistje, dat naast hem stond, en haalde een
brief uit den borstzak van zijn uniformjas.
„Van middelmatige lengte, blond, beslist
knap en gaat gewoonlijk door voor miss
Fortescue,” las hij hardop.
Een wolk rook door zijn neus blazend,
lachte hij sarcastisch. Toen vouwde hij den
brief weer op en stak hem in zijn zak.
Met een glimlach van voldoening begon
hij een studie te maken van de rij van
handteekeningen voorziene foto's, die aan
den wand tegenover hem hingen. Als een
van de populairste administrateurs van de
Atlantische route, had hij wel eenige reden
tot zelfrespect. Mooie en berekende vrouwen
hadden meermalen hun netten voor hem
uitgespreid. Hij grinnikte, toen hij de foto’s
daar voor zich bekeek en zich weer voor
den geest haalde, hoe de origineelen vaak
tegen hem geglimlacht hadden.
„En dus vindt de reederij het noodig
mijn aandacht te vestigen op de tegenwoordigheid aan boord van een bekend
smokkelaarster van edelsteenen. Ben ik dan
een douane-beambte, of wat eigenlijk ? Of
zijn ze soms bang, dat ik — ik nota bene —
er tusschen genomen zal worden ?”
Een oogenblik later ging hij, nadat hij
zorgvuldig zijn brandkast, die in een hoek
van zijn hut stond, had afgesloten en zijn
nog overgeleven haren had glad gestreken,
met zijn bekenden vriendelijken glimlach
op het gezicht naar het promenade-dek.
Het was een prachtige dag. De blauwe
hemel, het vroolijke gelach van de passagiers en het algemeen gevoel van welbehagen, dat het schip van voren naar achteren
scheen te doortrekken, waren op zichzelf
reeds genoeg om een misanthroop in een
goede stemmig te brengen.
Ondanks het feit, dat Mr. Hoskins de
echtgenoot was van een keurig dametje,
dat in Liverpool zijn terugkomst afwachtte,
was hij geenszins afkeerig van de attentie,
die hem in zijn kwaliteit van scheepsofficier
bewezen werd. Toen hij na eenige oogenblikken zich door de verschillende groepen
n weg baande naar de rookkamer, werd hij
aangesproken door een jonge vrouw, wier
eenig interesse op dat oogenblik scheen te
bestaan in den wensch eens wat meer te
weten te komen van de ingewikkelde samenstelling van de draadlooze installatie.
Een oogenblik kon Hoskins geen woord
uitbrengen. De reden was duidelijk. De
jonge vrouw, die daar zoo gracieus tegen
de railing leunde en hem vriendelijk-vragend
aankeek, was blond en zeer zeker heel knap.
Hij gevoelde, dat hij hier de vrouw van
den brief voor zich had.
„Bent u niet —eh— miss Fortescue?”
vroeg hij ten laatste.
„Ja,” antwoordde zij glimlachend. „Ik
vind het zeer vriendelijk van u, dat u zich
mijner nog onder zoovelen herinnert!”
Naar haar eigen mededeelingen te oordeelen reisde het meisje alleen en was op
weg om een tante te bezoeken in Chicago,
nadat zij een jaar in Parijs had doorgebracht. Wie zij was, of waar zij geweest
was kon tenslotte Joseph Hoskins weinig
schelen. Dat zij een zeer aantrekkelijk en
mooi meisje was, was van veel meer belang. Bovendien pleitte het nog voor haar
dat zij er duidelijk de voorkeur aan gaf
het dek op en neer te wandelen in gezelschap van den administrateur. Deze kon
een knappe vrouw apprecieeren, als hij die
ontmoette en wist bovendien, hoe hij er
mee praten moest.
De vriendschap tusschen den galanten
officier en de mooie jonge vrouw groeide
snel. Zonder ooit de grens van onschuldige
attenties te overschrijden, hield het meisje
zich Hoskins met het grootste gemak steeds
op de hielen. Hij zelf zou nauwelijks hebben
toegegeven, dat dit het geval was. Dat
het zoo was, was echter niet minder
duidelijk.
Niettemin kon de opmerkzaamheid van
den administrateur niet den geheelen dag
op haar gericht zijn. Als hij er bij tegenwoordig geweest zou zijn, wanneer miss
Fortescue eenige woorden wisselde met een
klein kordaat mannetje, dat de gewoonte
had, in zijn eentje op het dek nog een
sigaar te rooken, nadat de lichten waren
gedoofd, zou hij zijn opinie wel eenigszins
gewijzigd hebben.
Gedurende de laatste dagen van de reis
had het meisje de gewoonte aangenomen,
om ieder oogenblik onder allerlei excuses
aan de deur van de hut van den administrateur te komen aankloppen. Zij leende
zijn boeken, critiseerde zijn platen en portretten en dronk af en toe een glas kwast
onder zijn vaderlijk oog, zooals zij het uitdrukte.
Het mooie weer hield steeds aan. Als
er niets bijzonders gebeurde, zou het reusachtige schip binnen twaalf uur aan Sandy
Hook aankomen. Miss Fortescue, die er
in groen crêpe de chine toiletje keurig uitzag, zat ingevolge een uitnoodiging, die
zij aan zichzelf had gedaan, na de lunch
in Mr. Hoskins' mooisten leunstoel een kop
koffie te drinken.
„Wilt u mij een grooten dienst bewijzen,
Mr. Hoskins?” vroeg zij plotseling, „Ik zal
u een foto voor uwe verzameling geven,
als u het doen wilt — teminste als u die
hebben wilt.”
„Zult u dat werkelijk ?”, riep Joseph
Hoskins verrukt. „Natuurlijk wil ik u een
dienst bewijzen...” Plotseling vloog de
inhoud van een zekeren brief hem door
het hoofd en hij kuchte nerveus . . . „dat
is te zeggen, als ik het doen kan.”
„Oh, dat kunt u best,” antwoordde zij
vroolijk, terwijl zij haar sigaret door de
patrijspoort wierp. „Het is alleen maar een
kistje sigaren, dat ik door de douane gesmokkeld wilde hebben.”
Op het woord „smokkelen”, vertoonde
het gelaat van den heer Hoskins duidelijke
teekenen van ontsteltenis.
„Kijk niet zoo droevig,” lachte zij. „Ik
kocht een kistje sigaren voor mijn oom.
Ik weet dat die hatelijke douane mij er
invoerrecht voor laat betalen en daar heb
ik niets geen zin in. Dat is alles. Ik ben
er zeker van, dat als u in uniform er mee
aan wal gaat, de douane er geen oogenblik naar vragen zal.”
„Hm!” bromde Joseph Hoskins. Voor
een geroutineerde smokkelaarster was de
truc wel wat erg doorzichtig en zijn geloof in de persoonlijke onschuld van het
meisje was plotseling heel wat sterker geworden. Het scheen dat zij het werktuig
was van iemand anders. Het onschuldige
kistje sigaren bevatte misschien de juweelen.
„Wel?”, onderbrak het meisje zijn overpeinzingen met een gebaar van ongeduld,
„heb ik te veel gevraagd?”
„Mijn waarde jonge dame,” zei Joseph,
tot zijn gewone hoffelijkheid terrugkeerend,
„het zal me een waar genoegen zijn.”
„Prachtig,” riep zij. „Ik zal de sigaren
en de photo voor het ontbijt komen brengen”,
antwoorde zij. „LI zult toch wel aan wal
kunnen gaan tegelijk met mij, hoop ik?”
Bij de deur blijvend glimlachte zij lieftallig.
„Dat zal toch wel gaan, niet waar ?”
Tegen den tijd, dat den volgenden morgen
de meeste passagiers op dek kwamen, werd
de City of Arizona in haar dok gesleept.
Gekleed in een wit costuum met een coquet hoedje, slenterde miss Fortescue haar
hut uit, ging de salon door en glipte de
hut van den administrateur binnen. Zij droeg
een kistje sigaren en een enveloppe.
De administrateur zat aan zijn lessenaar
hard te werken, Zij lachte even en sloot
de deur. Zoo druk had hij het echter niet, |
of hij had wel even tijd, om op te kijken
en haar welkom te heeten.
„Bevalt het?” vroeg zij, een cabinetportret uit de enveloppe halend en hem dat
voorhoudend.
„Verdraaid!” riep Hoskins enthousiast.
„Het is prachtig!”
„Ik ben blij, dat het u bevalt. Hier zijn
de sigaren.”
Nog steeds glimlachend, alsof hij bij zichzelf pret om iets had, bekeek Mr. Hoskins
het kistje en keek eens naar het meisje. Zij
had haar hoed afgezet en zijn uniformpet
opgezet, waarna zij zichzelf in den spiegel
stond te bewonderen.
„Hallo!” riep hij. „De waarde van dat
hoofddeksel is met een sprong naar boven
gegaan.”
„Natuurlijk,” riep miss Fortescue, hem
een knipoogje gevend en probeerde een
anderen stand van de pet.
Gedurende eenige minuten was de administrateur druk met zijn papieren bezig.
Miss Fortescue stond in de deuropening
geduldig naar hem te kijken. Zij vertoonde
echter nog geen neiging om heen te gaan.
Zij kon toch, zooals zij hem uitlegde, niet
zonder haar sigaren gaan en daarom moest
zij wachten tot de administrateur tijd had
met haar mee te gaan.
Eindelijk slaakte Mr. Hoskins een zucht
van verlichting en verklaarde, dat hij nu
wel een oogenblikje tijd had, om zijn
vriendin door de douane te loodsen.
18
|