Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11421 tot 11425 van 11897
Nummer
1929, nr. 29, 20 juli 1929
Blad
18
Tekst
PANORAMA No. 2 9 HOE DE MODE T erwijl gij met bewonderenswaardig optimisme den zomer zoekt, misschien zelfs met succes, terwijl ge u bruin laat branden op een uitzonderlijkzomerschen dag in uw Zandvoortschen strandstoel of op een andere badplaats, terwijl ge, hoe dan ook, uw dolce fare niente geniet in het veilige bewustzijn, nu eens heerlijk vacantie te hebben van alles, zelfs van mode-zorgen, omdat op dit moment uw garderobe volkomen in orde is, — juist nu zijn de Parijsche couturiers bezig, full speed en met gepaste geheimzinnigheid, hunne collecties voor herfst en winter samen te stellen. Er wordt gewerkt achter de coulissen van hetschouwtooneel der mode, om ons binnenkort alles, wat nu nog een welbewaard geheim is, met des te meer bravoure te kunnen open baren. Het groote moment daarvoor is de eerste mooie nazomerzondagmorgen, wanneer al hetgeen tot de Parijsche beau-monde behoort of gaarne daartoe gerekend zou worden, vanuit alle richtingen, monter en gebruind, binnen de poorten van de Seinestad is teruggekeerd en in de Avenue du Bois flaneert. Het is iets als een onuitgeschreven concours d’élégance, waaraan „tout Paris” deelneemt en het nieuwste draagt; de modellen, die daarbij de revue passeeren, zijn als even zoo vele aanduidingen van hetgeen de mode ons in de komende maanden brengen zal: ongedachte nieuwe mogelijkheden, charmante verrassingen veelal; en als zoodanig hebben zij onze volle belangstelling. En al wordt de mode telkens durende een bepaald tijdsbestek door enkele leidende grondgedachten beheerscht, al is de grootelijn algemeen voorschrift, toch vinden de Parijsche modeontwerpers binnen zekere grenzen een eigen stijl, en een geoefend oog herkent bijna onmiddellijk de herkomst van hetgeen bij deze najaars-manoeuvres defileert. Er is een welhaast eindelooze verscheidenheid en het milde décor van het al even herfstachtig-getinte Bois is een prachtig neutrale achtergrond zoowel voor een luchtig kanten japonnetje, zooals we het veel later in het seizoen op concerten en diners zullen zien dragen, als voor den somptueuzen bontmantel, die een enkele vooruitstrevende Parisienne met — voornamelijk geestelijke — koelbloedigheid ge- „Altijd zijn er vrouwen, die zich niet gewaardigen de mode te volgen; de mode volgt dikwijls de vrouwen.” René Bizet. 20 JULI en écrttkleueigen kraag en manchetten. De druiven-motieven op deze japon zijn uitgevoerd in applicatie- en borduurwerk; het geheel is gehouden in citroengeel en donkerbruin, een op het oogenblik zeer gewilde combinatie. lijn, de ander in ’n nieuw Goud-met-gele kanten japon met asymetrische draperie W. Leviticus draagt op dezen wonder-warmendag-in-September. Wat nu de diverse „specialités de la maison” betreft, waardoor de Parijsche couturiers zich van elkaar onderscheiden: de een zoekt het zuiver in het accentueeren van de 16
PDF
Nummer
1929, nr. 29, 20 juli 1929
Blad
19
Tekst
PANORAMA No. 2 9 2 0 JULI Een der prominente vrouwen der Parijsche society draagt hier een ensemble van zwarte en witte crêpe romain; deze gedistingeerde kleurencombinatie werd ook in hoed, bloemengarnituur, tasch en schoenen doorgevoerd. Crêpe Georgette japon met jasje van hetzelfde materiaal in rood en drie opeenvolgende tinten blauw. Mantel costuum van blauw-en-witte stof met een heupdraperie, welke een der meest typische kenmerken van de nieuwe mode zal zijn. kleurengama, de derde voornamelijk in een origineele stoffencombinatie, en deze specifieke eigenschappen vindt men in velerlei variatie terug in de meeste modellen van eenzelfde huis. Gemakkelijk herkent men den statigen stijl van Jeanne Lanvin; men ziet hare créaties echter betrekkelijk zelden, want niet iedere vrouw kan een Lanvin-japon dragen. Deze eischen (behalve een welvoorziene beurs) ’n zekere noblesse, zoowel innerlijk als uiterlijk. Op een ander vrouwentype — evenzeer interessant — is Jean Patou geïnspireerd. Patou is ongetwijfeld de meest begaafde van alle mode-dictatoren; zijn modellen zijn doorgaans wat exotisch, zijn stoffen óf wazig en wapperend, óf zwaar en decoratief en wat snit en kleuren aangaat, bezit hij een eindelooze vindingrijkheid. Schiaparelli, Hermes en Amy Linker specialiseeren zich met succes in het sportieve genre; Jane Regny, oorspronkelijk □ok vooral sportief, associeerde zich met Lenieff, een fantastischen Rus, en deze combinatie kwam beider werk belangrijk ten goede. Uiterst verfijnd en altijd interessant zijn Jenny, Cyber, Premet en Worth. Sporadisch slechts ziet men een compositie van Poiret; men zegt overigens, dat hij zich definitef te Hollywood zal vestigen, om mogelijk daar met zijn zeer exclusieve modellen het succes te bereiken, dat hij in Parijs min of meer voorbijstreeft. Bijzondere charme heeft het werk van Chéruit en Augustabernard; hun modellen hebben een bij uitstek gracieuze lijn, zij propageeren „la silhouette trés féminine”. Chantal verrast met geheel nieuw kleurencombinaties, Lucien Lelong en Molyneux toonen verbijsterde staaltjes van snit, Chanel en Suzanne Talbot hebben vooral zin voor détail, terwijl anderen, zooals DtécollBeer en Louise Boulanger uitmunten door rijkdom van materiaal. Zoo zou men kunnen doorgaan; ik noem u echter in dit bestek slechts de belangrijksten van al degenen, die ons binnen eenige weken de hors d’ oeuvre variés van de komende najaarsmode zullen opdienen. En dan, wanneer de Parisienne in breeden kring, met onfeilbare intuïtie en overleg, heeft gekozen uit al wat haar door haar couterier werd voorgelegd, wanneer de directies der groote modehuizen uit Amerika en Engeland, uit Nederland en Duitschland komen inkoopen, en onmiddellijk daarna elk op hun beurt door shows van hun nieuwe aanwinsten, heel het groote publiek bereiken, —- dan doen ook wij onze keuze, dan is de nieuwe mode een feit geworden en blijkt wat al, wat niet geaccepteerd wordt, wat door een enkeling zal worden gedragen en wat populair wordt over de geheele linie. Zóó ontstaat de Mode: de groote modehuizen creëeren de modellen, de Mode echter wordt gemaakt door de vrouw! 17
PDF
Nummer
1929, nr. 29, 20 juli 1929
Blad
20
Tekst
PANORAMA No. 29 20 JULI Onder officieel Toezicht door F. A. Symons. M r. Joseph Hoskins, administrateur van het stoomschip „City of Arizona”, rammelde met het losse geld in zijn broekzakken, zette zijn pet achter op zijn kale hoofd en glimlachte veelbeteekenend. Hij koos zorgvuldig een sigaar uit het kistje, dat naast hem stond, en haalde een brief uit den borstzak van zijn uniformjas. „Van middelmatige lengte, blond, beslist knap en gaat gewoonlijk door voor miss Fortescue,” las hij hardop. Een wolk rook door zijn neus blazend, lachte hij sarcastisch. Toen vouwde hij den brief weer op en stak hem in zijn zak. Met een glimlach van voldoening begon hij een studie te maken van de rij van handteekeningen voorziene foto's, die aan den wand tegenover hem hingen. Als een van de populairste administrateurs van de Atlantische route, had hij wel eenige reden tot zelfrespect. Mooie en berekende vrouwen hadden meermalen hun netten voor hem uitgespreid. Hij grinnikte, toen hij de foto’s daar voor zich bekeek en zich weer voor den geest haalde, hoe de origineelen vaak tegen hem geglimlacht hadden. „En dus vindt de reederij het noodig mijn aandacht te vestigen op de tegenwoordigheid aan boord van een bekend smokkelaarster van edelsteenen. Ben ik dan een douane-beambte, of wat eigenlijk ? Of zijn ze soms bang, dat ik — ik nota bene — er tusschen genomen zal worden ?” Een oogenblik later ging hij, nadat hij zorgvuldig zijn brandkast, die in een hoek van zijn hut stond, had afgesloten en zijn nog overgeleven haren had glad gestreken, met zijn bekenden vriendelijken glimlach op het gezicht naar het promenade-dek. Het was een prachtige dag. De blauwe hemel, het vroolijke gelach van de passagiers en het algemeen gevoel van welbehagen, dat het schip van voren naar achteren scheen te doortrekken, waren op zichzelf reeds genoeg om een misanthroop in een goede stemmig te brengen. Ondanks het feit, dat Mr. Hoskins de echtgenoot was van een keurig dametje, dat in Liverpool zijn terugkomst afwachtte, was hij geenszins afkeerig van de attentie, die hem in zijn kwaliteit van scheepsofficier bewezen werd. Toen hij na eenige oogenblikken zich door de verschillende groepen n weg baande naar de rookkamer, werd hij aangesproken door een jonge vrouw, wier eenig interesse op dat oogenblik scheen te bestaan in den wensch eens wat meer te weten te komen van de ingewikkelde samenstelling van de draadlooze installatie. Een oogenblik kon Hoskins geen woord uitbrengen. De reden was duidelijk. De jonge vrouw, die daar zoo gracieus tegen de railing leunde en hem vriendelijk-vragend aankeek, was blond en zeer zeker heel knap. Hij gevoelde, dat hij hier de vrouw van den brief voor zich had. „Bent u niet —eh— miss Fortescue?” vroeg hij ten laatste. „Ja,” antwoordde zij glimlachend. „Ik vind het zeer vriendelijk van u, dat u zich mijner nog onder zoovelen herinnert!” Naar haar eigen mededeelingen te oordeelen reisde het meisje alleen en was op weg om een tante te bezoeken in Chicago, nadat zij een jaar in Parijs had doorgebracht. Wie zij was, of waar zij geweest was kon tenslotte Joseph Hoskins weinig schelen. Dat zij een zeer aantrekkelijk en mooi meisje was, was van veel meer belang. Bovendien pleitte het nog voor haar dat zij er duidelijk de voorkeur aan gaf het dek op en neer te wandelen in gezelschap van den administrateur. Deze kon een knappe vrouw apprecieeren, als hij die ontmoette en wist bovendien, hoe hij er mee praten moest. De vriendschap tusschen den galanten officier en de mooie jonge vrouw groeide snel. Zonder ooit de grens van onschuldige attenties te overschrijden, hield het meisje zich Hoskins met het grootste gemak steeds op de hielen. Hij zelf zou nauwelijks hebben toegegeven, dat dit het geval was. Dat het zoo was, was echter niet minder duidelijk. Niettemin kon de opmerkzaamheid van den administrateur niet den geheelen dag op haar gericht zijn. Als hij er bij tegenwoordig geweest zou zijn, wanneer miss Fortescue eenige woorden wisselde met een klein kordaat mannetje, dat de gewoonte had, in zijn eentje op het dek nog een sigaar te rooken, nadat de lichten waren gedoofd, zou hij zijn opinie wel eenigszins gewijzigd hebben. Gedurende de laatste dagen van de reis had het meisje de gewoonte aangenomen, om ieder oogenblik onder allerlei excuses aan de deur van de hut van den administrateur te komen aankloppen. Zij leende zijn boeken, critiseerde zijn platen en portretten en dronk af en toe een glas kwast onder zijn vaderlijk oog, zooals zij het uitdrukte. Het mooie weer hield steeds aan. Als er niets bijzonders gebeurde, zou het reusachtige schip binnen twaalf uur aan Sandy Hook aankomen. Miss Fortescue, die er in groen crêpe de chine toiletje keurig uitzag, zat ingevolge een uitnoodiging, die zij aan zichzelf had gedaan, na de lunch in Mr. Hoskins' mooisten leunstoel een kop koffie te drinken. „Wilt u mij een grooten dienst bewijzen, Mr. Hoskins?” vroeg zij plotseling, „Ik zal u een foto voor uwe verzameling geven, als u het doen wilt — teminste als u die hebben wilt.” „Zult u dat werkelijk ?”, riep Joseph Hoskins verrukt. „Natuurlijk wil ik u een dienst bewijzen...” Plotseling vloog de inhoud van een zekeren brief hem door het hoofd en hij kuchte nerveus . . . „dat is te zeggen, als ik het doen kan.” „Oh, dat kunt u best,” antwoordde zij vroolijk, terwijl zij haar sigaret door de patrijspoort wierp. „Het is alleen maar een kistje sigaren, dat ik door de douane gesmokkeld wilde hebben.” Op het woord „smokkelen”, vertoonde het gelaat van den heer Hoskins duidelijke teekenen van ontsteltenis. „Kijk niet zoo droevig,” lachte zij. „Ik kocht een kistje sigaren voor mijn oom. Ik weet dat die hatelijke douane mij er invoerrecht voor laat betalen en daar heb ik niets geen zin in. Dat is alles. Ik ben er zeker van, dat als u in uniform er mee aan wal gaat, de douane er geen oogenblik naar vragen zal.” „Hm!” bromde Joseph Hoskins. Voor een geroutineerde smokkelaarster was de truc wel wat erg doorzichtig en zijn geloof in de persoonlijke onschuld van het meisje was plotseling heel wat sterker geworden. Het scheen dat zij het werktuig was van iemand anders. Het onschuldige kistje sigaren bevatte misschien de juweelen. „Wel?”, onderbrak het meisje zijn overpeinzingen met een gebaar van ongeduld, „heb ik te veel gevraagd?” „Mijn waarde jonge dame,” zei Joseph, tot zijn gewone hoffelijkheid terrugkeerend, „het zal me een waar genoegen zijn.” „Prachtig,” riep zij. „Ik zal de sigaren en de photo voor het ontbijt komen brengen”, antwoorde zij. „LI zult toch wel aan wal kunnen gaan tegelijk met mij, hoop ik?” Bij de deur blijvend glimlachte zij lieftallig. „Dat zal toch wel gaan, niet waar ?” Tegen den tijd, dat den volgenden morgen de meeste passagiers op dek kwamen, werd de City of Arizona in haar dok gesleept. Gekleed in een wit costuum met een coquet hoedje, slenterde miss Fortescue haar hut uit, ging de salon door en glipte de hut van den administrateur binnen. Zij droeg een kistje sigaren en een enveloppe. De administrateur zat aan zijn lessenaar hard te werken, Zij lachte even en sloot de deur. Zoo druk had hij het echter niet, | of hij had wel even tijd, om op te kijken en haar welkom te heeten. „Bevalt het?” vroeg zij, een cabinetportret uit de enveloppe halend en hem dat voorhoudend. „Verdraaid!” riep Hoskins enthousiast. „Het is prachtig!” „Ik ben blij, dat het u bevalt. Hier zijn de sigaren.” Nog steeds glimlachend, alsof hij bij zichzelf pret om iets had, bekeek Mr. Hoskins het kistje en keek eens naar het meisje. Zij had haar hoed afgezet en zijn uniformpet opgezet, waarna zij zichzelf in den spiegel stond te bewonderen. „Hallo!” riep hij. „De waarde van dat hoofddeksel is met een sprong naar boven gegaan.” „Natuurlijk,” riep miss Fortescue, hem een knipoogje gevend en probeerde een anderen stand van de pet. Gedurende eenige minuten was de administrateur druk met zijn papieren bezig. Miss Fortescue stond in de deuropening geduldig naar hem te kijken. Zij vertoonde echter nog geen neiging om heen te gaan. Zij kon toch, zooals zij hem uitlegde, niet zonder haar sigaren gaan en daarom moest zij wachten tot de administrateur tijd had met haar mee te gaan. Eindelijk slaakte Mr. Hoskins een zucht van verlichting en verklaarde, dat hij nu wel een oogenblikje tijd had, om zijn vriendin door de douane te loodsen. 18
PDF
Nummer
1929, nr. 29, 20 juli 1929
Blad
21
Tekst
PANORAMA N o. 2 9 2 0 JULI Toen het fijne figuurtje van miss Fortescue op de loopplank afkwam, scheen er een golf van emotie door de wachtende douanebeambten te gaan. Zij begonnen dan ook haar koffers te doorzoeken met een ijver, die voor een gewoon mensch ontstellend zou zijn geweest. Zij doorzochten ieder kleedingstuk, en een vrouwelijke beambte fouilleerde haar. Indien inmiddels de jongedame in de gelegenheid zou zijn geweest om zich heen te zien, zou zij bemerkt hebben, dat Mr. Hoskin den chef der douaniers een knipoogje gaf. Het volgend oogenblik werd hem onder verontwaardigde uitroepen van het personeel gelast den inhoud te toonen van het kistje, dat hij onder zijn jas had. Alle uitleggingen betreffende de sigaren bleken vruchteloos. De administrateur bood aan de invoerrechten te betalen. De beambte was echter onverbiddellijk. De sigaren werden geconfiskeerd. Het feit, dat in miss Fortescue's koffers geen spoor van contrabande gevonden was, scheen aan de douanebeambten weinig genoegen te verschaffen. Zij hadden blijkbaar een geheel ander resultaat verwacht. „Kom," fluisterde zij tenslotte tegen den administrateur, „u kunt tenminste een taxi voor mij roepen, nu u mijn sigaren verloren heeft." Zonder een woord te spreken, drong Mr. Hoskins het meisje aan zijn arm door de menigte heen en was weer een en al beleefde attentie. Plotseling bleef de haak van een parapluie, die onvoorzichtig omhoog gestoken was, in zijn uniformpet zitten en wierp die af. Zich nijdig omkeerend, zag hij de nederig verontschuldigende blikken van een klein mannetje, die hij zich herinnerde het laatst in de rookkamer van de Arizona gezien te hebben. „Het spijt mij vreeselijk," riep deze uit. „Ik was onvergefelijk onhandig." Met een opmerkelijke activiteit bukte miss Fortescue zich en raapte de pet op. Binnen een paar minuten hadden zij een taxi gevonden. Zij boog zich uit het portier en stak hem vroolijk lachend de hand toe. DE „GRACE HARWAR" zeilde dezer dagen de haven van Queenstown (Ierland) binnen, na een reis van Australië, die in record' tijd was volbracht. In dezen tijd van snelle Oceaanstoomers en trans'Atlantische vluchten mag een dergelijk feit wel gememoreerd worden. „Hoor eens, onvoorzichtige man, eigenlijk moest u mij een nieuwe kist sigaren geven. Maar ik zal u maar vergeven. Wat denkt u er van, om vanavond in het Waldorf Hotel bij mij te komen dineeren?" Mr. Joseph Hoskins wist niet hoe hij het had; nu door zijn toedoen het kistje, dat aan zijn hoede was toevertrouwd, aan de douane in handen gevallen was, had hij naar zijn meening zijn plicht gedaan. Dat de eigenares van dat kistje hem zoo gemakkelijk vergaf, was echter minder verklaarbaar. Was er dan nog iets gaande, waarvan hij niets wist? „Ik behoef wel niet te zeggen, dat ik met zeer veel genoegen komen zal," antwoordde hij. „Au revoir, dan!" riep zei, toen de taxi wegreed. Mr. Hoskins arriveerde in keurige eveningdress nog voor zijn tijd in het hotel. Hij wist niet meer, wat hij van het meisje denken moest en had haar dien dag aan boord meer gemist, dan hij zichzelf wel wilde toegeven. Het dineetje, dat door zijn gastvrouw besteld was, wees er op, dat zij te dien opzichte niets meer te leeren had. Ook kon hij, als hij haar schitterende japon, haar keurige coiffure en haar halssnoer van rosé parels bekeek, haar niet houden voor het eenvoudige meisje, waarvoor zij zich aan boord uitgegeven had. Eindelijk werden koffie en likeuren opgediend en miss Fortescue accepteerde een sigaret. „Zal ik u eens een geschiedenis vertellen?" vroeg zij. „Graag," zei hij. „Is het een plezierige geschiedenis?" „Hm.... Ik vind van wel. Ziet u, het feit, dat u voor mij gewaarschuwd was, maakt de heele zaak nog veel aardiger." „Voor u gewaarschuwd?", stamelde Hoskins. „Ik bedoel, dat ik van een vriend in uw kantoor in Liverpool hoorde, dat u gewaarschuwd was, om naar mij uit te kijken en dus wist ik, wat ik te wachten had. Arme man! Het was zoo grappig!" „Waarom vroeg u mij dan om dat kistje sigaren te smokkelen?" hijgde hij. „Wel geachte simpeltuit, het was toch duidelijk, dat u een kans moest hebben om uw plicht te doen en daarom overhandigde ik u dat kistje sigaren, als een soort van veiligheidsklep. De manier, waarop u ze in handen van den douanier liet vallen, was eenvoudig heerlijk om aan te zien." „Dus het waren werkelijk niets anders dan >igaren ?" „Natuurlijk. Neem nog een likeurtje. U hebt het noodig, geloof ik. En geef mij nog een sigaret." „Maar ik zie nog niet...." „Wel, u kunt toch dat collier zien, dat ik draag, niet waar? Experts vinden het nog al bijzonder. Het is niet zoozeer de waarde van de parels, als wel die der kleur en het feit, dat zij zoo geheel bij elkaar passen, hetgeen hun de grootste waarde geeft. De invoerrechten zouden heel wat duizend dollars bedragen hebben." Gedurende eenige oogenblikken keek Joseph Hoskins de mooie vrouw, die lachend tegenover hem zat, stom verbaasd aan. „Wilt u dan insinueeren dat ik...." „Ik wil zeggen," legde zij kalm uit, „dat ik vanmorgen uw mooie uniformpet opgepast heb. Een uniformpet is zeer nuttig. Ziet u, zij steekt van voren een beetje uit. Er is daar net een klein zakje, dat in een gewonen hoed niet bestaat. Een klein pakje, een beetje was en ziezoo! mijn parels vlogen door de douane, veilig en wel op uw eerwaardig hoofd." „Verdraaid!" riep de administrateur uit. „Wie was die vent dan, die mijn pet afsloeg ?" „Oh, die man, die in de volte zoo onhandig deed? Dat was Jack Seymour, een oude vriend van mij. Ik moet u eens aan hem voorstellen." 19
PDF
Nummer
1929, nr. 29, 20 juli 1929
Blad
22
Tekst
PANORAMA DE WISSEL-CENTRALE. 20 JULI De beambte ontvangt vanaf de vertrek-hoogte door een pneumatische buis een lijstje van de gereedstaande wagens Aan de hand hiervan schakelt hij de noodige wisselstanden in ; radiografisch (vóór hem op tafel is de microphoon) gaat zijn bericht naar de No. 2 9 standen electrisch geregeld worden. De schuifinrichting maakt het mogelijk, dat de wagens op zeer korten onderlingen afstand van de hoogte kunnen loopen, waardoor zeer veel tijd wordt bespaard. De machinist der locomotief» die de wagens moet optrekken» staat draadloos in verbinding met den chef in de centrale. Het emplacement beslaat een oppervlakte van 250 H.A. met een gezamenlijke railslengte van 325 K.M. Plm. 6800 wagens rijden er dagelijks over. hoogte en nu worden de wagens losgelaten, De beambte kan door aan- en uitgaande lampjes controleeren of de wagens in de juiste volgorde afkomen. DE HOOGTE, vanwaar de goederenwagens naar het emplacement rijden; men lette op den korten afstand tusschen de wagens. O p het groote rangeer-emplacement te Hamm (Pruisen) kan men een schouwspel zien, dat op den toeschouwer een even verrassenden indruk maakt als de automatische stuurinrichting van een oceaanstoomer, waardoor een groot schip wordt bestuurd, zonder dat een mensch op de brug te zien is. Op dit emplacement is een schuifof glij-reminstallatie en een automatische wissel-inrichting toegepast. waardoor het mogelijk is lange goederentreinen naar de verschillende sporen te leiden, zonder dat men het geroep der rangeerders, 't stooten der wagens en het knarsen der remmen hoort. De goederenwagens loopen vanaf een hoogte naar het rangeerterrein, remmen als ’t ware zichzelf op de schuifreminstallatie in de rails, terwijl vanuit het wisselhuis alle wisselDE LOCOMOTIEF, die de wagens optrekt; bij den schoorsteen de antenne voor de draadlooze verbinding met de wisselcentrale. 20
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11421 tot 11425 van 11897