|
DEN DONAU AF, Dürnstein in de
Wachath
Nu begint het pas goed: we
glijden de Wachau binnen, het
land van de Nibelungensage, waar
alle plaatsnamen aan het oude gedicht herinneren.
Het rivierdal is nauw en
bochtig, telkens met andere verrassingen aan de voorplecht. Rotsen
verschijnen, hangen soms over de
rivier heen zoodat er nauwelijks
plaats is voor een paadje. Daarna
komen de wijnbergen in zicht,
uitgehakte terrasjes, juist als langs
den Rijn, maar niet zoo keurig en
netjes. Want vergeleken bij den
ordelievenden Duitscher is de
Oostenrijker „aSchlampert”, zooals
hij het zelf graag noemt. En die
preciezigheid is niets voor hem:
hij doet alles op z’n sloffen af. „I
will mei’ Ruh ham”, zegt hij.
Maar mooi is de Wachau. Geen
sprake van industrie, bruggen, steden,
groote hotels. Een lokaaltreintje boemelt op den eenen oever.
Kleine dorpsherbergen is alles wat men er aan logies vindt. Alles
even primitief. En de plaatsjes langs den oever zijn kleine nesten,
meestal om een burcht of een klooster gegroepeerd. Waar de rotspunten boven de wijnterrassen uitsteken, wordt de bergtop gewoonlijk door een ruïne bekroond. De Wachau is onbedorven,
eenvoudiger dan de Rijn. Minder grootsch, maar romantischer.
Dus niet net zoo iets, maar heel iets anders.
Nu draaien wij weer uit de bergen weg. Alleen rechts blijven
de toppen ons vergezellen, en om die laatste pijlers moeten wij
heenvaren om Weenen te bereiken. Daar steekt de Leopoldsberg
een ruïnetoren omhoog, en de Kahlenberg laat villatjes en chalets
zien. De laatste uitloopers van de Alpen, de laatste toppen van
het Wiener Wald.
Weenen ligt als een groote plas rook en walm voor ons.
Maar we laten ons niet afschrikken: al moge Weenen niet zoo'n
Donaustad zijn zooals wij gedacht hadden (want de Donau is er
onzichtbaar, en zelfs haast onvindbaar), <— in elk geval stroomt
het bloed van Johann Strauss er nog. Hoe, dat moge de lezer voor
zich zelf constateeren. Onze reis ligt op het water en niet op
het land!
Dus we nemen na eenige dagen de boot weer, en varen de
breede rivier af, onder bruggen door, en tusschen welige uiterwaarden met zwaar en moerassig bosch. Een stuk daarvan is de
vermaarde Prater, thans tot een verwaarloosde lap vochtig park
geworden.
Spoedig zien wij opnieuw bergen
verrijzen: de Hongaarsche poort nadert.
Eerst passeeren wij Devin, de
Tsjechische grens, en weldra komt
Bratislava in ’t zicht, de groote
Tsjechoslowaaksche Donauhaven,
ons beter bekend als Pressburg. Een
kasteel op een heuvel, eenige torens
en forsche gebouwen, en voorts het
Tsjechische rood-wit-blauw, een
vlag die ons bekend voorkomt.
Door deze poort, tusschen
twee heuvelrijen, zijn wij Hongarije
binnengeglipt, een drassige vlakte
langs de oevers. Veel riet en veel
watervogels. Men zou zich op de
Merwede kunnen wanen. Maar
langs den kant drijven molens in
het water, die zich door den stroom
van de rivier laten ronddraaien.
Wel een bewijs dat er heel wat
kracht in die strooming schuilt.
DEN DONAU AF, Het Bastion der
Visschers en standbeeld van St, Stephan
te Boedapest,
PANORAMA No. 2 6 2 9 JUNI
Nu komen er opnieuw bergen opdagen en ditmaal hoogere. Het
is de vulcanische groep van Visegrad en Vacz, die aan de bergen
van Boedapest vastzit, en beroemd is om zijn voortreffelijke wijnen.
Wederom kasteelen waar de Turken eertijds hebben gehuisd, en waar
men aan menig brokje uit de heldhaftige Magyaarsche geschiedenis
wordt herinnerd.
Lichtjes knipoogen voor ons in lange rijen, en het verwarde
gevoel van torenspitsen en schoorsteenen rijst voor ons op, dat de
nadering van een groote hoofdstad aanduidt.
Boedapest bij avond is een zee van licht. We varen langs het
Margaretha-eiland, één en al plezier van rivierbaders en wandelaars,
die even naar de zigeunerkapel komen luisteren. Er wordt volop
gedanst. Overdag zelfs in badcostuum.
Bruggen overspannen de rivier. Rechts rijst de koninklijke
Burcht, massief als een bekroning van de heuvels omhoog; links
prijken de vele spitse torentjes van het Orszaghaz, het parlementsgebouw. Rechts zien we hoe de fraaie oever op kleurige wijze is
afgewerkt door Romaansche en Byzantische torens, gaanderijen en
terrassen: het Bastion der visschers, waar het ruiterstandbeeld van
den Heiligen Stephan (Szent Istvan) troont.
Boedapest is een waardig slot van een Donaureis zelf; men
kan ook verder de rivier afzakken, tot in Roemenië toe. Maar
daarmee zijn heen en terug weken gemoeid.
Ik raad onzen landgenooten aan om in Boedapest te blijven
baden, naar de zigeuners te luisteren en Tokajer te proeven, en
om daarna per trein terug te reizen. Dat is de manier om den
Donau te zien!
3
|