Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11266 tot 11270 van 11897
Nummer
1929, nr. 23, 8 juni 1929
Blad
19
Tekst
PANORAMA No. 2 3 8 JUNI Typisch Fransch is deze gedistingeerde namiddagjapon van oud blauw crêpe marocain met koordgarneering en ajourranden. Bedrukte stoffen behooren tot de groote successen van het seizoen. Bovenstaande foto brengt een zeer modern ensemble in beeld, hetwelk gevormd wordt door een wit zijden blouse, een rokje en een wijde drie-kwart mantel van donker-blauwe foulard met witte bloempjes bedrukt. De mantel is gegarneerd met kraag en manchetten van witte zijde, het rokje met een witte ceintuur. De combinatie zwart en wit is dit jaar zeer in trek. Dat er met deze twee kleuren aardige effecten bereikt kunnen worden, toont bijgaande foto van een origineelen namiddag - mantel welke, behalve kraag, sjaal en revers, geheel van smal ruban ciré is vervaardigd. Een zwarte tricot tulband, een toef witte bloemen, een witte ketting en witte handschoenen voltooien het smaakvolle geheel. Een zeer modern japonnetje van bedrukt wollen mousseline in drie tinten blauw. De asymetrischehalsopening is versierd met een sjaaltje van dezelfde stof. De taille - lijn wordt aangegeven door ’n breede ceintuur van donkerblauw peau de suède. VOOR DEN ^amidd^g Het modehuis Charlotte ontwierp deze japon van donkerblauw en wit bedrukt crêpe Georgette. De rok is vrij lang en valt opzijde en van achter in lange punten. De onderkant der mouwen is met een breede volant versierd. 17
PDF
Nummer
1929, nr. 23, 8 juni 1929
Blad
20
Tekst
PANORAMA No. 2 3 8 JUNI EEN KWESTIE VAN DASSEN door B. X. Belmonte I n het jaar des Heeren 1756 stond Sir John Seymour-Penrhyss op het hoogtepunt van zijn roem. Hij was inderdaad de erkende beau. In één seizoen had hij vijftien nieuwe schoenmodellen gecreëerd — een aantal, dat nog nooit overtroffen was. Hij had ongeveer honderdvijftigduizend pond schuld, wat neerkomt op, door elkaar genomen, tienduizend pond per model. Goedkoop waren ze dus niet geweest. Maar de roem, dien hij verkregen had — woog die niet op tegen zoo iets onbelangrijks als schulden ? En beroemd was hij. Lord Ballingloch, de Schotsche markies, die vóór hem de lion scheen te zullen worden, had het leelijk afgelegd. En die was nog wel rijk! Maar wanneer Ballingloch zijn knoopen op een buitennissige manier op zijn jas had laten zetten, verscheen Penrhyss onmiddellijk daarop met een nieuw model schoen, en geld moet het tenslotte afleggen tegen hersenen. Dus, zij het ook met verbeten woede» moest Ballingloch zich neerleggen bij de feiten. Sir John had vijftien absoluut nieuwe modellen gelanceerd, en niet alleen waren ze origineel, maar elk ander model leek er lomp en boersch bij. Je moest hem wel navolgen, of je wilde of niet. En daardoor vooral voelde Ballingloch zich zeer gekwetst. Desalniettemin liet hij daar niets van blijken. Door ongenoegen met Penrhyss te krijgen, zou hij zijn eigen sociale positie absoluut onmogelijk maken. En dat mocht niet. Beter nog Penrhyss eerste, dan hij heelemaal niets. En de minste uiting van vijandigheid zou hem veel kwaad gedaan hebben. De beau monde droeg zijn „lion” op de handen, en imiteerde hem tot in de kleinste kleinigheden. Iedereen boog zooals hij boog, nam zijn snuifje zooals hij snoof, en flirtte zooals hij flirtte. Of tenminste, trachtte dat. Want het laatste was niet erg gemakkelijk. Flirten als hij kon eigenlijk niemand. Sir John deed het luchtig en gratieus, wetenschappelijk bijna. Weinig meisjes gingen niet graag een flirtation met hem aan. Nu was hij dan ook een bijzonder mensch. Auteur van vijftien absoluut nieuwe schoenmodellen» om maar iets te noemen. Ballingloch kon hem niet uitstaan. Op een mooien najaarsochtend, toen een groot gezelschap edelen met hun dames paradeerde op de Rotten Row, en Sir John weer het middelpunt was van aller aandacht, al was het alleen maar door de buitengewone élégance waarmee hij zijn zenuwachtig paard in toom hield, drong Ballingloch naar voren, tot hij naast hem reed. Aan Penrhyss' anderen kant reed een jonge dame, welke deze op het oogenblik DICHTER EN KRACHTMENSCH. De Engelsche schrijver B. Shati’ en de spierenkoning, de bokser Tunney in Brioni, waar zij vacantie houden. vurig ’t hof maakte. Met de intuïtieve handigheid, die dommen menschen eigen schijnt te zijn (men kan toch niet alles op rekening van’t geluk stellen?) begon» juist nü» de Schot Sir John een beetje te plagen. Hij probeerde hem uit zijn tent te lokken. Op een toon waar éven de spot doorheen klonk, putte hij zich uit in loftuitingen op de vijftien creaties van Sir John, en deze, nerveus, doordat het gebeurde in de tegenwoordigheid van de dame, verloor zijn gewone slagvaardigheid, en antwoordde met de schooljongensrepliek: „Maar niemand anders zou het kunnen!” hopende daarmee hetzij Ballingloch tot een weddenschap te dwingen, waarna hij van hem af zou zijn, hetzij hem af te schrikken van een verder gesprek, daar de markies niet tweemaal achter elkaar een door hem zelf uitgelokte weddenschap kon afslaan» zonder zich in de oogen van de dame belachelijk te maken. De Schot, voelend, dat hij op het punt stond, het weer te moeten afleggen tegen zijn vijand, gooide het onmiddellijk over een anderen boeg, en, doorgaande in denzelfden stijl, zeide hij: „Ik wil dat graag aannemen, Sir John. Beter nog, ik ben er zeker van, dat niemand anders zulke schoone triomfen zou kunnen vieren. Maar ik wil er onder verwedden wat ge maar wilt, dat ook gij zelf uw record niet zoudt kunnen overtreffen op een soortgelijk gebied.” Dit was zeer boosaardig gezegd, daar het de herinnering wekte aan een praatje, dat indertijd door het volk verspreid was, namelijk, dat Sir John eigenlijk een schoenlapper van beroep was en daardoor zoo’n kijk had op schoenen. In sommige kranten werd hij zelfs, tot zijn groote ergernis, Sir John Cobbler genoemd. Hij voelde nu ook de drift in zich opstijgen» maar bedwong zich, en, zich tot de dame wendende, zeide hij glimlachend: „Het schijnt wel dat Mylord geld wil verliezen vanmorgen.” Toen, rechtstreeks tot Ballingloch: „Nu, Mylord, ik zal binnen het eerstvolgend jaar bij openbare gelegenheden zestien nieuwe moderne dassen brengen. Ik stel voor» dat we den inzet op honderdduizend pond bepalen.” Even voelde de Schot een schok, maar, meteen zich zelf meester, verbeterde hij: „Honderd-entienduizend pond, Sir John. Die tienduizend pond zijn dan voor de armen van Londen.” „Uw edelmoedigheid, Mylord,” zei Penrhyss, die niets te verliezen had» „is grenzenloos. Mylady wil misschien getuige zijn van deze overeenkomst» opdat ik niet vergeet bij die tienduizend nog twintigduizend pond toe te voegen.” Deze slag was voor hem» daar Ballingloch hier niets meer aan toe kon voegen» zonder den schijn te wekken slechts iets te zeggen om Penrhyss te overtroeven. Penrhyss deed zijn best. Hij begon met de Orageade, een das» die alleen hij kon dragen» daar niemand hem na kon maken. Toen kwamen de »,Grande Levée”, de „Petite Levée” en de „Cabriolet”. Deze laatste droeg hij alleen» wanneer hij in zijn lichtgele cabriolet ging rijden. Daarna bracht hij nog een tweede rijtuigdas, namelijk: „le Nègre Jaune”, zoo genaamd, omdat hij altijd achter in zijn cabriolet een negertje in een geel-satijnen costuum had zitten. Deze creatie was nog beter dan de eerste. Toen kwamen „la Chasse Rouge” en „la Chasse Blanche”, onderscheidenlijk voor vossenen andere jacht. Zoo volgde de eene op de andere. De belangrijkste mogen we niet vergeten: „la Langue d’Or”. Dat was een salondas. Toen de Hertog van York die zag, was hij zoo in verrukking, dat hij onmiddellijk tienduizend pond bood voor het recht, haar als eenigste te mogen dragen. Sir John vroeg den Hertog hem even te excuseeren, ging naar zijn kleedkamer, liet zich een andere das omdoen en bood den 18
PDF
Nummer
1929, nr. 23, 8 juni 1929
Blad
21
Tekst
PANORAMA No. 2 3 8 J U N I Hertog de eerste ten geschenke aan in een met saffieren bezette doos. Het was een koninklijke gift. Drie dagen later werd hij dan ook opgenomen in de Orde van den Kouseband .... In de lente van het jaar 1757 had Penrhyss vijftien van de beloofde zestien nieuwe dassen gelanceerd. Zijn populariteit kende geen grenzen. Hij stond op voet van jij en jou met den Hertog van York, en de kans scheen heel groot, dat hij bij de eerstvolgende gelegenheid een goedbetaalde sinecure bij het hof zou krijgen. Ondertusschen was hij daar voor ’t oogenblik niet mee geholpen. Zelfs al won hij nu zijn weddenschap, dan zou het nog minstens twee of drie maanden duren, voor hij Ballingloch de honderdduizend pond kon vragen, of zelfs maar een deel daarvan. Nu stond hij voor het geval, dat na een week een aantal wissels ten beloope van tienduizend pond verviel, welke ook niet meer geprolongeerd zouden worden, tenzij hij minstens tweeduizend pond fourneerde. Geld opnemen kon hij ook niet meer, want bij de geldschieters van Londen stond hij op den duur in een slechten reuk. Onderpand kon hij weinig meer bieden, en te lang al en te vaak had hij een woordje laten vallen over de gouden dagen, die de gunst, welke hij aan ’t hof genoot, spoedig voor hem zou doen aanbreken, terwijl tot nog toe het eenige tastbare resultaat de blauwe mantel was, behoorende bij de Orde van den Kouseband. dan dat het bij zijn crediteuren nog fiducie kon rechtvaardigen. Geld moest er dus zijn, ten koste van alles, klinke het ook paradoxaal. Bij zijn vrienden hoefde hij niet aan te kloppen, dat wist hij; hij zou ze dadelijk verliezen. Beleenen kon hij niets meer. Hij moest dus nemen wat hij hebben wilde. Nu maakte juist in dezen tijd ’n struikroover de omstreken van Londen onveilig, die bekend stond als „le Bel Eugène ”, Hij scheen wel overal tegelijk te kunnen zijn, of misschien ook opereerde 'n heele bende onder dien naam, of maakten anderen van zijn vermomming gebruik. Daaraan werd hij namelijk altijd herkend: een langen zwarten mantel en een zwart masker, waarover verticaal in het midden een streep liep. Er stond een prijs van vijfhonderd pond op zijn hoofd. Maar tot nog toe was het nog niet gelukt hem te pakken. Sir John was een stoutmoedig man, terwijl hier bovendien de dreigende debacle zijn vernuft prikkelde tot een waagstuk. Hij wist, dat, indien hij geen geld kon krijgen, zijn sociale positie verloren was, en, wat erger was, zijn naam. Want hoe verwaterd het begrip voor het behoorlijke ook was in die dagen —* men kon zijn schulden onbetaald laten, maar niet toestaan, dat een leverancier of zoo ophef maakte wegens niet betaalde schulden. Dat kostte iemand zijn naam, d.i. zijn eer. Dat moest voorkomen worden. DE VERKIEZINGEN IN ENGELAND Jong helpt oud bij de laatst gehouden algerneene verkiezingen in Engeland. Nu kreeg Sir John, door zijn relaties bij het Hof, zijn nieuwtjes altijd uit de eerste hand. Dienzelfden avond, wist hij, zouden heimelijk vijfduizend guinjes naar het Hertogelijk buitenverblijf in Twixenham gebracht worden, voor het maandelijksch kaartavondje aldaar. Nog geen tien mijl daarvandaan lag zijn familiebezitting. Geen soldaten zouden meegaan: dat zou te veel aandacht trekken. Als ze onderweg verloren raakten, zou er, om dezelfde reden, nooit veel ophef van gemaakt worden. Wat was eenvoudiger dan ze te ondervangen en mede te nemen voor eigen gebruik ? Dies gaf Sir John dien middag voor iedereen niet thuis en bevestigde, zoo goed en zoo kwaad het ging, een wit strookje verticaal over een zwart masker. Hij trok een eenvoudig zwart rijcostuum aan en stuurde zijn knecht uit om een zwart paard. Toen ging hij voor een spiegel zitten en begon zich te vermommen. Eenvoudig, maar afdoende. Hij zette zijn pruik af, wat zijn voorkomen al volkomen veranderde en schoor toen zijn snor, tot er nog slechts een klein borsteltje in het midden overbleef. Op deze manier veranderde hij ook zijn wenkbrauwen geheel en al, en toen hij zijn hoed opzette en zichzelf bekeek, herkende hij dien exotischen vreemdeling ternauwernood. Morgen zou hij beginnen de mode van een borstelsnor te propageeren; zijn wenkbrauwen konden gemakkelijk genoeg bijgepenseeld worden. Nu was hij, voor ieder geval, onherkenbaar. Hij ging zeer voorzichtig te werk. Op den weg tusschen de twee poststations Alden en Winstonsfarm zocht hij een plaats, vanwaar hij in een half uur met den zwaren buit op Penrhyss-Hall kon zijn. Daar zou hij gemakkelijk genoeg onbemerkt kunnen binnenkomen, om den volgenden morgen, na het geld verborgen te hebben, in een ander costuum weer naar Londen terug te keeren. Zijn kennissen zouden waarschijnlijk denken aan een galant avontuur. Voor den overval zelf vertrouwde hij op zijn brutaliteit en zijn pistool. „Halte!'’ riep Sir John met een afgrijzelijk Fransch accent tegen den koetsier, die onmiddellijk de teugels liet vallen. „Hautes les mains! Hands up!” De koets stond stil, en uit het portier kwam met verbluffende snelheid een dikke burgerman met een pistool in zijn hand. Alles gebeurde in een oogenblik. De dikke burgerman vuurde, de roover vuurde terug, en had de voldoening den dikken burgerman als een ballon, waar een lek in gekomen is, in mekaar te zien zakken. Toen kreeg hij van den koetsier, die er gebruik van maakte, dat hij dichterbij kwam zonder op hem te letten, met het met lood verzwaarde einde van de zweep een slag op zijn hoofd. De koetsier streek met een gelukkig gezicht de vijfhonderd pond op. die stonden op het „Opsporen, aanhouden en voorgeleiden (dood of levend) van den roover, bijgenaamd le Bel Eugène ’. Sir John kwam bij in de gevangenis te Twixenham en bevond, dat hij le bel Eugène was, tenzij hij prefereerde onder zijn eigen naam veroordeeld te worden wegens roofmoord. Hij prefereerde dat niet. Hij behoefde gelukkig niet naar Londen om terechtgesteld te worden. Twixenham had al in de 12e eeuw het recht gekregen dieven te straffen door het afhakken van de rechterhand en moordenaars door ze op te hangen tot de dood volgde. Gevaar voor herkenning was er dus niet. Sir John maakte niet veel tegenwerpingen. Hij wist dat zijn lot bezegeld was. Hij kon in elk geval zijn eer nog redden, door zijn identiteit verborgen te houden. Dat lukte hem heel goed; toch kwamen duizenden kijken naar het ophangen van den beruchten struikroover. Maar ook zijn terechtstelling liep gelukkig goed af, zonder dat hij herkend werd. En eigenlijk had Sir John toen zijn weddenschap gewonnen; want hij droeg bij deze openbare gelegenheid een das van een zeer bijzonder model: hij was van gevlochten hennep en de knoop zat achter zijn linkeroor. 19
PDF
Nummer
1929, nr. 23, 8 juni 1929
Blad
22
Tekst
PANORAMA No. 2 3 8 JUNI Een scene uit de Metro-Goldwyn-Mayer-film „Broadway Melody'. Het eenige wat hierbij stoorde, was, dat men de stilte der omstanders kon „hooren’. Zuiver menschelijke geluiden, als: verschuiven van voeten, ruischen van kleêren, lawaaierige neuzen ofiets van dien aard, waren niethoorbaar, De scene wordt hierdoor dus ook aanmerkelijk verstild. Fay Wray bij een opname van de sprekende film. (Parafoto) (De eerste TALKIE in Holland T oen voor ongeveer honderd jaar de eerste locomotief haar intrede deed, sloegen onze voorouders van verbazing de handen in elkaar over zooveel genialiteit, en hunne bewondering en vreugde deed de talrijke ongemakken van het nieuwe vervoermiddel totaal over het hoofd zien. Te Amsterdam heeft thans de eerste „Talkie” of „Sound”-film geloopen, die den naam droeg van „Broadway Melody”. De gestie van onze voorouders wordt thans herhaald, doch weder honderd jaar en.... onze kindskinderen staan weer veel nuchterder tegenover een nog volmaakter creatie. Het was zonder twijfel verrassend en als experiment zelfs voortreffelijk, doch het geheel droeg onmiskenbaar het stempel van een geweldigen strijd met moeilijkheden, welke men te overwinnen heeft gehad. Zoo valt ten eerste het vermoeiende rythme op, dat jammer genoeg door de geheele film loopt. Vervolgens blijkt overduidelijk, dat lang niet ieder scenario geschikt is voor Talkie, evenmin als ieder tooneelspel geschikt is voor radiouitzending, al maakt men zich er helaas wel aan schuldig. Het enkele aardige effect, bereikt door het overspringen van de eene spreekscene in een totaal verschillende andere, weegt niet op tegen de talrijke hinderlijke overgangen, al zijn deze dan ook „gespatieerd”. Tenslotte doet het muisstille spel van anderen dan de sprekers, zoo vreemd aan, dat de illusie van werkelijkheid vaak geheel wordt verstoord. Ten spijt van de geweldige sommen aan de sprekende film besteed, gelooven wij, dat haar populariteit niet zoo spoedig verwezenlijkt zal worden, als men in vele belanghebbende kringen wel meent. Wat betreft het ten gehoore brengen van muziek-curiosa of specialiteiten, kan men practisch na de werkelijkheid geen betere oplossing vinden, dan deze geluidsfilm, al vragen we ons wel af hoe men de beschadigingsmogelijkheid van breken of in brand geraken tracht te ondervangen. Voor deze technische kwesties zal men echter t.z.t. wel een oplossing weten te vinden. 20
PDF
Nummer
1929, nr. 23, 8 juni 1929
Blad
23
Tekst
P A N O R A M A No. 2 3 8 JUNI 21
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11266 tot 11270 van 11897