|
PANORAMA No. 2 3 8 JUNI
Inorukken en Herinneringen door J. de Meester. X
G
isteren toefde ik in een gezin, waar de
zoon niet anderslijkt dan 'n nieuwe druk
des vaders. Beiden zijn getrouwe klanten
van Rottestad's eersten kleedermaker; beiden
hebben het, ook bij den vader nog bruine,
haar boven den linkerslaap recht gescheiden;
beiden zijn rijzig bij zekere breedheid, ook
den jongeling reeds eigen. Zooals eens zijn
vader deed, studeert nu junior in de rechten.
Er was helaas sprake van politiek: ik zit
dan (overdrachtelijk gesproken, want de
waarheid is ongelukkigerwijs minder sierlijk)
met den mond vol tanden. Luisteren deed
ik naarstiglijk. Want lang genoeg woon
ik in deze stad, om dagelijks belang te
stellen in het — misschien vóór mijn of
althans vóór uw sterven nog klaar te komen — Verdrag met België. De vader,
hevig anti-Brussel, ergerde zich niet weinig
aan de vergoelijkende meeningen
van ... zijn dubbelganger. Dit woord
zegt waarlijk niet te v^el. Zoo de
zwaarte van de stemmen al op verschil
in leeftijd duidde, de klank, vooral de
woorden zelf, de keus, de zinsbouw,
heel de betoogtrant, zij troffen door
een verbluffende gelijkenis. Dus kreeg
ik in eenzelfde vocabulaire ’n beurtzang te hooren van voor’s en tegen’s.
Waaraan was dat toe te schrijven?
Leeftijd? Verblijf aan eenzelfde academie in verschillende tijdperken ?
Maar beiden spraken ernstig en fel.
En zoo ontving ik — niet voor het
eerst! — den indruk, dat in eenzelfde
zaak veel er voor kan zijn te zeggen
en veel er tegen. De eigen meening
schakel ik uit, nu; meer dan de vaderlandsliefde goedvindt: ik geef het
effect weer van dat debat. Immers
plaatste dit een gewoon verschijnsel
in een licht, dat het tot iets zonderlings maakte. Dat in eenzelfde zaak
met overeenkomstige dialektiek veel
vóór kan te zeggen zijn en veel tegen,
mijn hemel, als verslaggever in Raaden Rechts- en Nutzaal (om van de
Fransche Kamer te zwijgen) heb ik
het ervaren in welhaast alle dialecten
van Nederland, vooral, wanneer ik
de congressen op Paasch- en Pinksterdagen er in mijn souvenirs nog bijvoeg.
Hier vroeg ik mij af: zijn dat nu de
geslachten? dacht wat nu oud is per
anders dan wat nu jong is of minder oud ?
Telkens merkt men dat in de kunst, die
ook daarmee dan geeft een beeld van het
leven. Het treffende hier was, bij ’t verschil
der meeningen, de gelijkenis der sprekers.
Overigens doet de tegenspraak van een
zoon altijd ietwat pijnlijk aan. Was het
debat van gisteren voor mijn gevoel — de
zaak, waar het om ging, buiten rekening gelaten — vooral grappig, door zóóveel verschil bij zoovéél overeenkomst, ruim drieen-veertig jaar geleden hoorde ik een
tegenspraak, welke mij lichtelijk ontstemde
en bij de herhaling onaangenaam trof, totdat
ik ook daarvan de verklaring kreeg. Het
was 107, rue de 1’Université te Parijs, aan
een lunch bij Busken Huet de laatste week
van Februari 1886. De heer des huizes wees
een werk van Rembrandt, naar een gegeven
dat deze meer dan eens heeft gebruikt, aan
met een jaartal. Onmiddellijk kwam er
tegenspraak van de overzijde der vierkante
tafel. Rembrandt had dat onderwerp dat
jaar in het geheel niet behandeld, althans
bestond hier geen enkel blijk van: het door
den heer des huizes bedoelde schilderij was
van twee jaar vroeger. Later noemde de
heer des huizes een Italiaansch kunstcriticus.
U bedoelt.... En er volgde een andere
naam. Beide verbeteringen kwamen.... van
den zoon des huizes. Wat mij als gast
verlegen maakte, was een ongeduldstrek op
des vaders gelaat, 't Was de eerste maal,
dat ik hen samen zag. Het is de laatste
maal geweest. Den vader mocht ik nog
tweemaal bezoeken.
Toen, op een der eerste Meidagen van
hetzelfde jaar, volgde ik den zoon op het
kerkhof van Montparnasse achter de baar
zijns vaders: deze was in den avond van den
lsten Mei. na met vrouw en zoon gedineerd
te hebben en druk met dezen geredetwist
over Paul de Saint-Victor, alleen in zijn
werkkamer plots overleden. Dezelfde, met
hen meer gemeenzame landgenoot, die mij
van dat suprème debat verhaalde, stelde mij
gerust over de tegenspraak die mij had bevreemd. De vader kan niet gegriefd geweest
zijn: hij wist, dat zijn helaas niet gezonde
zoon (die nochtans een klein jaar langer zou
leven dan de vóór den 60sten jaardag gestorven vader) geestelijk een wonderkind was
en leidde diens studiën, meer specialiseerend
dan hij de zijne had kunnen doen.
De Huets voelden zich thuis te Parijs.
Afstammeling van réfugié’s, heeft de zoon
om eene, zeer eervol vervulde betrekking
aan de groote Bibliothèque Nationale te
verkrijgen, gebruik gemaakt van het recht
tot „réintégration dans la nationalité fran-
£aise”; Conrad Busken Huet heeft dit naar
men in zijn brieven kan lezen, nooit willen
doen. Wel heeft hij voor Fransche organen
willen werken. In zijn uitmuntend Fransch
boek over Huet maakt Dr.JohannesTielrooy
gewag van een naar het schijnt niet aanvaard aanbod om in de Figaro kronieken
over Nederland te schrijven. Te Parijs heb
ik hooren spreken over een teruggekregen
opstel, bij de Revue des Deux Mondes
ingezonden. Wel schijnt het weekblad de
Revue Bleue een of meer stukjes van hem
geplaatst te hebben. Een vreemdeling slaagde
vooral in dien tijd zeer moeilijk te Parijs.
Met het veramerikaanschen der dagbladpers, waarmede de Matin begonnen is, is
het exclusivisme vanzelf verminderd; zoowel aan het pasgenoemde blad als aan die
Huet geweigerd hebbende Figaro hebben
Nederlanders, kort of langer, een leidende
rol in de afdeeling der buitenlandsche politiek vervuld. Zelf heb ik een paar maal
een „premier Paris” in de Temps geplaatst
gekregen over grondwetsherziening ten
onzent (een kenschets zonder eigen
meening!) doch hoewel ik het door
mijn leeraar in het Fransch, den
dichter du Castal, had laten nakijken,
werd mijn stukje niet slechts bekort,
maar had de Pressensé ook telkens in
woordkeus en -schikking veranderd.
Meer dan Huet ten volle aanvaard,
is te Parijs Professor A. G. van Hamel.
Dank zij hem ging het zure grapje
dat men er uit onzen tijd geen anderen naam kende dan dien van... .
Schiedam (die dan klonk als stond
er een k in), althans onder intellectueelen niet op. Van Hamel was geeerd en bemind, veel meer dan Huet
homme du monde. Welsprekend, ook
in den gewonen zin, sprak hij de
Fransche taal als een Franschman;
de hoogste lof, bij mijn weten door
andere Nederlanders bemachtigd, was
dat hunne uitspraak was als van de
Polen. Telkens als Van Hamel de hem
niet te lang vallende reis uit Groningen
gedaan had, kreeg ik, evenals Pit en
Lapidoth en wijlen E. Bunge, een
stadstelegram; we ontmoetten hem
dan in ’t Café Riche. In ’89, tijdens
de vele congressen die met de wereldtentoonstelling samenvielen, zat hij
daar met zijn tweelingbroeder, Professor G. A. van Hamel, den rechtsgeleerde. Hunne gelijkenis was zóó
groot, dat ik later op den avond
tusschen hen in over straat gaande, een
oogenblik niet wist, wie mijn rechterbuur
was en wie mijn linker! Toen in Riche
zaten zij tegen den witten muur op de
roode sofa en wij jongeren als eerbiedige
leerlingen naast elkaar tegenover hen.
Twee belangwekkend-mooie
coratief tot in den zwaren,
krullenden haardos, bij den
naar links, bij den rechter
rechts. Beiden kwamenvan congressen: Strafrecht had een juridisch, Groningen een philologisch congres bijgewoond en zij vertelden
elkander en ons, als in een beurtzang van
vergenoegde herinneringen: — „Lombroso
zei me....” Dan Groningen: „Ik had
een apartje met Gaston Paris....” Even
later Amsterdam weer : — „Enrico Ferri
vond....” Groningen: — „Paul Meyer....”
Het is een verschijnsel der levensvreugd,
iets kinderlijks te kunnen geven aan grootemannen van bij de vijftig. Dit elkaar in de
rede vallen klonk prettiger dan het debat der
Huets. Mij zijn die souvenirs kenschetsend
voor de gemoedsstemming, daar en daar
mannen, deiets verward
linksgezetene
golvend naar
6
|