|
PANORAMA No. 22 1 JUNI
delijk zijn slaapvertrek kon opzoeken. Hij
was moe en hij had een massa moeten
schrijven. Voor het eerst van zijn leven,
begreep hij, dat de schoonste idealen ook
hun keerzijde hebben. En al had hij voor
de noodige boekhouders gezorgd, die de
omvangrijke hoteladministratie moesten
voeren, de handteekeningen waren in ieder
geval voor zijn rekening en juist handteekeningen maken vond hij het meest tijdroovende karweitje.
Juist toen hij zijn kamerdeur wilde openen,
hoorde hij lawaai in een der zijgangen. Hij
liep op het geraas af en plotseling zag hij
een der kamerdeuren, en wel deur 143
openmaken. Tot zijn schrik herinnerde hij
zich, dat hij de kamers 142 tot 145 aan
de familie Vanbibber had afgestaan, maar
zijn schrik ging in ontzetting over, toen hij
een man in een kleurige pyama als het ware
op de gangmat zag springen en hij papa
Vanbibber herkende.
„Een schandaal! Een groot schandaal,”
riep deze luid, zijn armen als molenwieken
zwaaiend en onbegrijpelijke gebaren met de
wijduit gespreide vingers makend. Hij danste
van woede in het rond en een van zijn
sloffen schoot met kracht tegen Tuppie’s
verbaasd en onthutst gezicht.
„Zoo, ben je daar, akeligheid!”schreeuwde
de dansende heer Vanbibber en hij kwam
dreigend op Tuppie af. „Een schandaal,
een ruwe studentenstreek, maar ik zal er
werk van maken! Het zal je heugen, waarde
heer!”
„Maar .. . maar .. beefde de nieuwbakken hoteleigenaar. In zijn benauwdheid
raapte hij de pantoffel op en bood haar
den ander aan, doch deze sloeg in zijn
woede het nuttige schoeisel veertien voet
verder de gang in.
Op dat oogenblik kwam een andere figuur
in de gang, met name mijnheer Vanbibber’s
ega in een excentrieke kimono. Ook zij
maakte onbegrijpelijke bewegingen met
armen en handen en tusschen huilslierten
in, snikte zij: „Houd je toch kalm, wees
toch bedaard, lieve! Ach, dat we zooiets
moesten meemaken! Alles plakt en kleeft.
Kijk eens naar mijn handen . .. Ach, lieve
mannie, ga eens gauw naar Alice en Paul
toe. Misschien zijn de stakkers al verongelukt ...”
„Ik smeek u...” hijgde Tuppie radeloos.
Een snerpende kreet was het antwoord.
Mevrouw Vanbibber, die den jongeman
nog niet opgemerkt had, schoot met een
achterwaartsche beweging in haar kamer.
„Politie!” schreeuwde haar echtgenoot;
„tien jaar is niet genoeg voor jou, kwaaie
rekel. Mag jij oude menschen zóó iets
aandoen ?”
„Is er dan iets gebeurd?” slaagde Tuppie
er in te vragen en hij trachtte den woedenden
vader van zijn aangebedene te kalmeeren
door diens handen vast te grijpen. Doch
onmiddellijk trok hij de zijne terug. Een
vreeselijk kleverige stof plakte op zijn
vingers.
Andere gasten waren ontwaakt en verschillende verbaasde, booze, lachende, angstige en bleeke gezichten staarden door de
respectievelijke deuropeningen naar het
tooneel van den dialoog.
„Help!” klonk eensklaps een schelle
jongensstem en Paultje Vanbibber rende
de gang op. „Mijn heele bed zit vol lijm,
vader!” gilde hij, „Alles kleeft en plakt!
D’r zat zelfs lijm in mijn glas en op de
zeep. M’n heele nieuwe pyama is naar de
maan! Hie-hie-hie !”
Hij begon te huilen, misschien niet direct
van verdriet of wat ook, maar eerder door
het feit, dat hij zijn vader in négligé midden
op den looper zag razen.
„Houdt hem!” gilde hij, op Tuppie
wijzende en negen hoofden door negen
manlijke lichamen gevolgd stortten zich op
hem. Het was een kluwen van menschen
en terwijl papa en zoon Vanbibber zich
radeloos van de lijm probeerden te verlossen,
nam Tuppie een keurigen duik en glipte
een kamer in, waarvan de deur juist langzaam open ging.
Hij viel languit op den gladden parketvloer, doch twee kleine handen tilden zijn
hoofd op en hij staarde in het angstig
vragende gezichtje van de zich in allerijl
gekleed hebbende Alice.
„Gebeuren er ongelukken, daar?” vroeg
zij, terwijl zij hem ophielp. Tuppie loosde
een zucht, staarde naar de deur, keek haar
toen in het lieve snuitje en haalde vervolgens zijn schouders op.
„Misschien.. ..” zei hij langzaam; „maar
vrees niets, je bent veilig. Ik zal je beschermen, Alice.”
„Een bende inbrekers?” vroeg zij anstig.
„Ik weet het niet!” fluisterde Tuppie;
„Maar toen ik het lawaai hoorde, dacht
ik zoo.... zie je... . Ik was plotseling zoo
bezorgd... voor... hm....”
„Oh, jongen. . . . voor mij ?”
Hij bloosde en greep haar hand. Toen
richtte hij zich energiek op en liep * met
opgericht hoofd naar de deur. „Voorjou....”
zei hij, even achterom kijkend, „Ja, voor
jou, Alice. ... Mag ik je morgen.... een
vraag doen?”
„Oh, George....!!!”
„Zeg maar „Tuppie”, voortaan!” fluisterde
hij en hij liep snel op haar toe. Het volgende oogenblik lag zij
in zijn armen.
„Wil je, Alice? Wil
je mijn vrouwtje
worden ?”
„Waar is de
kerel ?” kwam een
stem uit de gang.
DE DUURSTE. De
hazewind, die op de
groote honden-tentoonstelling in de Tuileries
te Parijs den eersten
prijs behaalde en die
tevens de duurste van
Frankrijk moet zijn.
„Ja!” fluisterde het jonge meisje; „Heel
graag, Tuppie.... Ik houd meer van je
dan ik kan zeggen!”
„Mijn liefste!” zei hij, met een devoten
kus.
„Politie”, gilde weer een stem.
„Ik ben zoo bang, Tuppie!”
Maar Tuppie richtte zich trotsch en fier
op. „Ik heb maling aan den heelen boel!” zei
hij dapper; „dat hotel kunnen zij van mij
cadeau krijgen! Nu heb ik jou, kleinvrouwtje,
en de rest kan mij gestolen worden. Maar
blijf voor alle zekerheid zoolang op je
kamer, dan ga ik eens kijken!”
„Laat mij niet alleen....” smeekte zij,
doch hij stroopte zijn mouwen op en sloop
naar de deur. Enkele seconden later rende
hij de gang door naar de lift.
Tuppie’s hotelideaal was inderdaad van
korten duur. Tenslotte is zoo'n inrichting
niet rendabel en wordt een hotel voor den
rijksten man, zelfs voor een man als Tuppie,
te kostbaar, wanneer er heelemaal geen
gasten komen. Tuppie deed de heele zaak
voor een appel en een zacht gekookt ei
van de hand en toen de tragedie opgelost
was en de Vanbibbers weer vrede met
hem hadden gesloten, trouwde hij de lieftallige Alice en trok hij zich terug in een
snoes van een villa. Zelfs toen hij hoorde,
dat die kleverige geschiedenis een kinderachtige streek van den jaloerschen Tommie
was geweest, die in de kamers van papa,
mama en Paultje Vanbibber door een omgekochten hotelboy een groote hoeveelheid
allerkleverigste lijm had laten deponeeren,
glimlachte hij, streek hij met de hand over
zijn hart en zei zachtmoedig:
„Ik vergeef hem, want per saldo heeft
hij Alice toch niet gekregen.”
19
|