|
'N ZONDERLINGE HENGELAARSTER
oeden morgen, juffrouw I al wat gevangen?”
Mijnheer Jodocus Pot was de beleefdheid in
persoon. Zelfs nu, terwijl hij in den vroegen
morgen met den hengel in de hand naar zijn
geliefdkoosd plekje ging en hij tot de ontdekking
kwam dat dit was ingenomen door
een jonge hengelaarster, was hij de beleefdheid zelve.
„Neen, niets!”
De jonge dame draaide niet eens haar hoofd om, terwijl
ze sprak. Haar woorden gingen vergezeld van een gemompel
en ze wierp haar hengelsnoer met zulk een woede in het water,
dat door het lawaai hierdoor verwekt wei alle visschen in den
omtrek moesten vluchten.
„Slechte vangst maakt een mensch uit zijn humeur,” dacht
Pot. Hij was overtuigd dat de jonge dame lief en bevallig
wezen moest. Ze was klaarblijkelijk een hartstochtelijke
minnares van de hengelsport, dat ze reeds zoo vroeg er
op uit getrokken was. Ze scheen geheel alleen te zijn en
had niet het minste geluk. Geen wonder, Pot als ervaren
hengelaar merkte op dat op de wijze waarop de johge dame
vischte, zij geen kans had het minste „leven” te krijgen.
„Ahem!” begon hij. „Het is een schoone morgen, hè! U
heeft het beste plaatsje uitgekozen ! Het is hier vol visch 1”
„Als het er zit, heb ik er nog niets van bemerkt”, antwoordde
ze, terwijl ze het gelaat onafgewend op den
dobber hield, die als een kleine boei op het water dreef.
Wat ’n jammer dat de slechte vangst haar zoo onvriendelijk
maakte. „Er is hier anders een massa visch, hoor I”
ging Jodocus moedig voort. „Het is hier slechts vier voet
diep en somtijds kan je den bodem zien.”
De jonge dame slaakte eensklaps een kreet,
die eindigde in een hevigen hoest. Mijnheer
Pot was verwonderd en min of meer verschrikt.
Hij had zeker haar ontevredenheid opgewekt
door een of ander onvoorzichtig woord. „Ik
dacht dat ik beet had,” zei ze, als ter verontschuldiging.
„Geen sprake van,” antwoordde Pot beslist.
Beet! Hoe naïef ! Als ze vischte zooals nu,
dan kreeg ze nooit beet, al werd ze zoo oud
als Methusalem. „De visch hier is erg schuw,”
ging Pot voort. „Je moet niet zoo’n lawaai
in het water maken. Het minste geplas jaagt
de visschen weg. Mag ik weten waarnaar u
aan het visschen bent ?” Als echt sportliefhebber
was hij nieuwsgierig te vernemen welk soort
visch de dame op deze wijze hoopte te vangen.
„Kikkers!” antwoordde de jongedame kort.
„Dan wensch ik u goeden morgen,” antwoordde
Jodocus, terwijl hij zijn hoed afnam.
Zelf in zijn woede over haar verregaande onvriendelijkheid
bleef hij beleefd. „Maar als je
soms voornemens geweest was naar iets anders
te visschen, dan had je dat zóó moeten doen,”
ging hij voort, terwijl hij zijn hengelsnoer uitwierp,
volgens de regelen der kunst. Een oogenblik
dreef zijn dobber op het water, toen
verdween hij.
„Beet!” riep hij uit, ten hoogste verwonderd,
dat er nog eenige visch zoo stoutmoedig
was op deze plek te verwijlen na de schrikwekkende
prestaties van de jonge dame. Deze
wendde nu voor het eerst het hoofd om, maar
mijnheer Pot was thans te veel in zijn sport verdiept om
haar eenige opmerkzaamheid te schenken. Had hij dit gedaan,
dan zou hij zeker teleurgesteld geweest zijn, want de jonge
dame was verre van mooi met haar stompneus, uitstekende
wangbeenderen en half dichtgeknepen oogen.
„Neen,” ging de heer Pot voort, mismoedig aan zijn hengel
trekkende: „Neen het is geen visch. Wat kan ’t dan in
’s hemelsnaam zijn ? De haak schijnt ergens aan vast te
zitten !”
Hij was zoo druk bezig zijn hengelsnoer weer los te krijgen,
dat hij niet eens opmerkte, hoe de dame haar hengel in het
gras had neergeworpen en achter hem was komen staan.
„Ik geloof dat hij losraakt”, mompelde Pot. „Maar wat kan
dat voor den drommel....”
Hij voleindigde den zin niet, want hij voelde twee sterke armen
op schouder en rug en voor hij goed wist wat dit beduidde,
was hij met hengel en al in het water geworpen.
Het duurde wel vijf minuten, alvorens Jodocus hijgende en
uitgeput en met een flinke hoeveelheid troebel water in zijn
maag weer op den graskant zat. De jonge hengelaarster
scheen genoeg van de hengelsport te hebben, ten minste er
was geen spoor meer van haar te ontdekken.
De ontmoeting van mijnheer Pot met de krankzinnige
hengelaarster was spoedig onder alle kennissen bekend.
„Je weet dat ik altijd het land heb gehad aan die akelige
liefhebberij van jou” riep juffrouw Amalia Noest woedend
uit, terwijl een kleur van verontwaardiging haar lief gelaat
nog bekoorlijker maakte. „Ik vind visschen een vies, wreedaardig
werk. ’t Is je natuurlijk te doen om van dat slechte
vrouwenvolk te ontmoeten.”
„Maar, mijn lieve Amalia”, pleitte Jodocus, terwijl hij
trachtte haar kleine hand te vatten. „Je wilt toch niet
beweren dat ik.... dat ik uitging om dat vrouwmensch te
zien ! Ik verzeker je ....”
„Hoe weet ik wat jij van morgen ging uitvoeren,” viel
Amalia hem in de rede, terwijl ze van kwaadheid op den
grond stampte. „Je zegt, dat je ging visschen. Wat? Je
hebt niets gevangen! Je vangt nooit iets! Ik vind het een
onhebbelijke gewoonte van je om ’s morgens voor dag en
dauw uit te gaan voor niemendal!”
„Maar lieve Amalia”, begon Pot weer wanhopig, geen
kans ziende aan dien woordenvloed een einde te maken.
„En toen je van morgen haar weer zag, haar,” barstte
Amalia weer los, met een verachtelijken nadruk op het
laatste woord, „toen kreeg je ruzie met haar en wierp ze je
in het water. O, ’t is vreeselijk om er aan te denken. Zijn we
daarvoor nu reeds drie jaar geëngageerd !”
Er was zeker geen ongelukkiger man dan Jodocus Pot,
dien avond, toen hij naar huis wandelde.
Amalia was het liefste meisje in de wereld en hij hield
heel veel van haar. Zij hadden slechts een duizend gulden
noodig om te kunnen trouwen en de heer Pot had hard gewerkt
en zuinig geleefd om van zijn mager salaris elke week
wat ter zijde te leggen. En nu had Amalia hem verklaard
dat ze nooit, nooit, nooit met hem zou trouwen als hij haar
niet vertelde, hoe dat „creatuur” (zoo noemde ze de hengelaarster)
heette en waarom hij met haar getwist had.
Jodocus Pot zat op zijn kamer in zijn kosthuis, alleen,
droevig voor zich uit te staren, toen hij onverwachts een tik
op zijn schouder voelde.
„Neem mij niet kwalijk, mijnheer, dat ik u stoor. Uw
hospita zei mij maar naar uw kamer te gaan. Ik klopte aan
maar ontving geen antwoord.”
Het was een net gekleede oude heer, met grijs haar en
glad geschoren gelaat, die met beleefden glimlach deze
woorden sprak.
„Ik vraag u beleefd,” ging hij voort, „mijn verontschuldigingen
te willen aanvaarden, mijnheer Pot! U had van
morgen een ontmoeting met een jonge dame. Die jonge
DE STAF VAN DE 1e DIVISIE.
Zittende van links naar rechts: Luit-Kol. Int. Harsveldt; Dir. Offic. van gezondheid 2e kl. Paré, Comm.
v. h. Roode Kruis; Gen.-Maj. Koolemans Beynen; Gen.-Maj. Klerk de Reus, Divisie-Comm.; Luit-Kol.van
den Gen. Staf Croockewit; Kapt. van den Gen. Staf Insinqer. Staande van links naar rechts: le Luit ten
Have; Kapt.-Int. Vorstman; Offic. van Gezondh. le. kl. Dr. Voerman; Dir. Veldpost Benjamins; le Luit.
v. d. Mandele; Dir. Paardenarts Muyzert: Hoofdambt. der telegr. Beuks; Kapt. (lid V. M. A. K.) v. Hoboken;
le. Luit Wendelaar; le Luit-Kwartierm. van Oorschot; le Luit (lid V. M. A. K.) Meisner; Kapt Roell;
le Luit-Adj. Bolt; le Luit (lid V. M. A. KJ van Kempen; Res.-Ritm. Völcker; 2e Luit (lid V. M. A. K.)
Jhr. Sandberg; Kapt Prins; le Luit. de Jongh; Kapt. Hackstroh.
dame is mijn dochter.”
Mijnheer Pot sprong plotseling op. Als deze oude heer
de vader der dame was, was hij misschien ook wel gek.
Wie weet? Krankzinnigheid tast soms een geheele familie
aan, had Pot wel eens gehoord.
„Ik betuig u mijn leedwezen met het ongeval dat u trof,
ten gevolge van het onverantwoordelijk gedrag van mijn
dochter,” ging de oude heer beleefd voort. „Sophie is erg
prikkelbaar. Zelfs als kind voerde zij allerlei streken uit.”
(Jodocus dacht bij zichzelf wat een allerliefst kind zij moest
geweest zijn). „Ik heb haar eens goed onderhanden genomen,
mijnheer Pot! Ik heb ze zoodanig den mantel uitgeveegd,
dat ze schreide of haar ’t hart breken zou, ’t arme kind!
Ze zei me, dat ze niet kon slapen, als ze niet de zekerheid
had, dat u haar vergeven had.”
„Ik vind de handeling van uw dochter zeer onbezonnen,”
antwoordde mijnheer Pot streng. „Onbezonnen is eigenlijk
nog veel te zwak. ’t Was wreed, harteloos,” ging hij voort,
denkende aan de gevolgtrekkingen die Amalia gemaakt had.
„U heeft in alles volkomen gelijk, mijnheer,” ging de
bezoeker voort. „Ik heb geen enkel woord van excuus. Het
doel van mijn bezoek is u te vragen het geval te vergeten
en u eenige schadeloosstelling aan te bieden. Ik had mij voorgenomen
mijn dochter een pony te geven, doch ze moet
nu maar wat wachten tot ze wat bezadigder geworden is.
Ze zou het dier misschien al net zoo slecht behandelen als u.”
Mijnheer Pot knikte slechts.
De vreemdeling haalde nu vijf bankbiljetten van honderd
gulden te voorschijn. Jodocus keek er naar. Sjongens, daarmee
zou hij een flink eind naar de duizend opschieten. Als
Amalia dat hoorde, was de vrede weer geteekend.
„En nu, mijnheer Pot, heb ik u nog een verzoek te doen,”
begon de oude heer weer. „Toen je vanmorgen mijn dochter
wilde leeren, hoe rij visschen moest, gelukte het u met uw
vischsnoer het een of ander beet te krijgen.”
Mijnheer Pot knikte.
„Zou u dit nog eens kunnen doen,” vroeg de oude
heer. „Kijk eens ’, ging hij voort, toen Pot hem min of
meer verwonderd aanzag. „Mijn dochter is erg kinderlijk.
Ze zou graag het visschen willen leeren wat haar we1, niet
gelukken zal. Ze wil morgen weer naar dezelfde plek gaan.
Als het haar zou gelukken met haar haak onder water iets
vast te krijgen, onverschillig wat, zou het haar reeds enorm
plezier doen. Weet u de plek nog te vinden waar gisteren
uw snoer vastraakte?”
„O ja, op een duim na,” antwoordde Pot.
„Welnu, mag ik u dan verzoeken, ons op die plaats te
ontmoeten, mijnheer Pot? Ik mag dit evenwel niet van u
verlangen zonder eenige vergoeding. Als u blieft, mag ik u
dit aanbieden,” ging de oude heer voort en legde bij de vijf
banknoten er nogmaals vijf neer. Ik wensch u nu goeden
avond mijnheer, en betuig u nog wel mijn dank. Morgen zult
u Sophie niet alleen ontmoeten, ik zal zelf mee komen. Nogmaals
goeden avond, mijnheer. O, dat vergat ik nog, mijn
naam is Karg, Emil Karg, advocaat. Apropos, u zult zeker
over onze zaken wel tegen niemand spreken ?”
Mijnheer Pot gaf hierop zijn woord.
Toen de heer Karg vertrokken was en Pot, die hem uitgelaten
had, weer op zijn kamer terugkwam, nam hij met
een gelukkig gevoel de bankbiljetten op.
Duizend pop! Hoe is ’t mogelijk? Nou, die oude heer had
zeker ook een slag van den molen beet. Enfin, royaal was hij
en blijkbaar rijk, onmetelijk rijk. Wat zou Amalia blij zijn !
Het was een heerlijke zomermorgen, toen Jodocus Pot
naar de plaats wandelde, waar hij den vorigen dag, die zonderlinge
ontmoeting gehad had. Toen hij er aankwam, was de
oude heer reeds present, hij was echter alleen. Zijn dochter
zei hij, was eigenlijk een beetje verlegen om hem te ontmoeten
en daarom moest de heer Pot het hem maar eens voordoen en
hem de plek toonen, waar hij gisteren met zijn
hengelsnoer was vastgeraakt. Jodocus Pot
maakte zijn vischgerij gereed. Hij bevestigde
aan zijn hengel een extra sterken snoer en
wierp hem in het water op dezelfde plek als
gisteren.
„Beet!” riep hij uit, toen hij bemerkte, dat
de draad vast bleef haken.
Het gelaat van den ouden heer Karg veranderde
opmerkelijk van uitdrukking. Pot was
evenwel zoo ijverig met zijn hengelsnoer bezig
dat hij hiervan niets bemerkte. Hij werd evenwel
aan de tegenwoordigheid van den ouden
heer herinnerd door een eigenaardigen klank
in diens stem, toen deze zeide:
„En nu, mijnheer Pot, trek de lijn naar u
toe, voorzichtig. Doe zooals ik u zeg en kijk
eens hier!”
Jodocus Pot keek om en tuimelde bijna
opnieuw in de rivier, nu van schrik, want de
oude heer hield dreigend een revolver op hem
gericnfc
Zijn vermoedens waren dus juist geweest,
de oude was dus ook gek, evenals zijn dochter.
Hij kon echter niets anders doen dan gehoorzamen.
Hij trok en trok, voorzichtig aan, en bemerkte
dat aan zijn hengel een dun koord vastgeraakt
was.
Karg pakte dit haastig beet en trok een
kleine blikken doos uit het water, die aan
het koord bevestigd was.
Na deze doos zorgvuldig te hebben opgeborgen,
boog hij voor den heer Pot en zei:
„Ik wensch u goeden dag, mijnheer ! U heeft uw reputatie
als hengelaar schitterend gehandhaafd.
Apropos ! de bankbiljetten die ik u gegeven heb, zijn uitstekend
en je zult geen moeite hebben ze uit te geven als je
het maar gauw doet en je mond houdt over de manier
waarop je ze gekregen hebt.
Nu vaarwel, mijnheer Pot!
Mijn dochter zal voorloopig wel niet meer op deze plaats
gaan visschen. Je kunt er dus weer onbeperkt gebruik van
maken.”
En hiermee keerde hij zich om en ging heen.
Drie maanden na de hierboven beschreven gebeurtenissen
bevond zich de oude heer Mr. Emile Karg, nu bekend onder
een minder deftigen naam in de bank der beklaagden in
gezelschap van een jongeren metgezel, bijgenaamd „de Krullebol.”
De politie had, dank zij de hulp van Jodocus Pot het
geheele geval ontraadseld.
De kleine blikken bus bevatte juweelen door de beide
bandieten gestolen.
De dieven hadden de bus aan een lang touw bevestigd
in het water geworpen, juist op de plaats waar Pot gewoon
was te visschen.
Het koord scheen evenwel gebroken te zijn, en daarom
was „de Krullebol”, als jonge dame vermomd, op die plek
er naar aan het visschen gegaan met het hierboven beschreven
gevolg.
Ofschoon de eveneens gestolen bankbiljetten werden opgevorderd,
zöoals de oude had voorspeld, had Pot geen reden
om teleurgesteld te zijn over zijn gegeven inlichtingen, want
hij werd door den eigenaar der juweelen ruimschoots schadeloos
gesteld.
Jodocus en Amalia trouwden nu spoedig en het was voor
de laatste onmogelijk om jaloersch te zijn op „de Krullebol.”
|