Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1041 tot 1045 van 11897
Nummer
1914, nr.13, 23 sept. 1914
Blad
12
Tekst
De opening der Staten-Generaal --------------------te 's-Gravenhage op 15 September 1914------------------- -- Dr. Abraham Kuyper op weg naar de opening der Staten-Generaal. H. M. de Koningin en Z. K. H. Prins Hendrik begeven zich naar de Ridderzaal. DE DIPLOMATEN VAN DE VERSCHILLENDE MOGENDHEDEN De Ministers Lely en Treub gaande naar de Ridderzaal. DE OORLOG VAN 1870 (VERVOLG) Gambetta was de ziel van de nationale verdediging; aan zijn rustelooze energie was het te danken, dat nieuwe legers van vrijwilligers als uit den grond werden gehaald. Al kon de vijand niet meer uit het land verdreven worden, het Fransche volk heeft toch de bewondering van Europa gewekt, door de heldhaftige wijze waarop het de nationale eer verdedigde. Naarmate de vestingen in het Ocsten van het Land zich aan de Duitschers moesten overgeven, kregen deze meer troepen ter beschikking voor de insluiting van Parijs. In het laatst van September capituleerden Toul en Straatsburg; den 27sten October gaf Bazaine zich te Metz over met 173.000 man en al zijn kanonnen. Een ernstige poging om zich door den vijand heen te slaan was door hem nooit ondernomen; van Metz uit had hij onderhandeld zoowel met keizerin Eugé- nie als met den koning van Pruisen; hij rekende er op, dat spoedig de vrede zou worden gesloten en hoopte dan met zijn leger een beslissenden invloed te kunnen uitoefenen op het lot van FrankDE LEDEN VAN DEN RAAD VAN STATE OP WEG NAAR DE RIDDERZAAL. rijk. De tijding van Metz bracht Parijs wederin beweging; de regeering werd van zwakheiden verraad beschuldigd; het volk drong het stadhuis binnen en hield de leden derregeeringeen tijdlanggevangen totdat de Nationale Garde hen verloste. Den 3en November vroeg en verkreeg de regeering door een plebisciet het bewijs, dat zij het vertrouwen der Parijzenaars nog genoot. Ondertusschen was uit de saamgestroomde vrijwilligers en het overblijfsel van de geregelde troepen het eerste Loire-Leger gevormd onder bevel van d’Aurelle de Paladines. Zijn eerste krijgsdaden wekten groote verwachtingen; begin November moesten de Duitschers Orleans ontruimen. Maar juist op dit oogenblik werden zij versterkt door de troepen van Prins Frederik Karei, die thans niet langer noodig waren voor Metz. De pogingen van het Loire-leger om Paj-ijs te hulp te komen mislukten; Orleans werd opnieuw door de Duitschers bezet. In December en Januari beproefde het Fransche volk nog een uiterstekrachtsinspanning; eentweedeLoire-leger en een Noorderleger streden in hetstroomgebied van Loire en Somme en behaalde in ’t begin ook eenige over* winningen, maar moesten ten slotte terugwijken. (Wordt vervolgd.) HET VERWOESTE DINANT Van een onker foto-correspondenten ontvingen wij nog bijgaande serie foto’s van Dinant die wij, ofschoon wij reeds in ons vorig nummer enkele foto’s van deze stad gaven, toch te belangrijk vonden om deze niet op te nemen. Richard Müller, Professor aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten te Dresden, als soldaat bij den Saksischen Landstorm te Dinant, maakt schetsen in de verwoeste stad. PANORAMA VAN HET VERWOESTE DINANT, GEZIEN VANAF HET FORT. Klooster over de Maas, waar de stelling der Franschen was. Het Klooster is als doorzeefd van Duitsche granaten. De R. K. Kerk te Dinant. Het bovengedeelte is verbrand, terwijl het puin op het schip der Kerk zichtbaar is. Ook ziet men de opgeblazen brug met links de door de Duitschers opgeslagen noodbrug. Interieur der verbrande Kerk- Op de foto is duidelijk te zien, dat het schip der Kerk gespaard bleef. Het fort te Dinant inwendig gezien. In de duidelijk zichtbare gewelven bevinden zich de vuurmonden.
PDF
Nummer
1914, nr.13, 23 sept. 1914
Blad
13
Tekst
Drt. LUDWIG FRANK, t Het bekende Sociaal-Democratische Rijksdaglid voor Mannheim, is in een gevecht bii Lunéville gesneuveld. In Dr. Frank verliest niet alleen de Duitsche Soc.-Dem. Partij een harer beste leden, doch ook de wereld een hoogst intelligent econoom. Vice-Adm. A. C. v. o. SANDE LACOSTE. t Te ’s-Gravenhage is deze gepensionneerde hoofdofficier op 63-jarigen leeftijd overleden. Hij was Ridder in de Orde van den Nederlandschen Leeuw. HET HEFTIG GETEISTERDE REGIMENT. Bovenstaande prachtopname der Ver. Foto-Bur. geeft een Doodskophuzaar, een der weinige overgeblevenen van dit Duitsche ruitercorps. DE ENGELSCHE KRUISER „PATHFINDER”, welke door een Duitsche onderzeeër- tot zinken werd gebracht en waarbij ongeveer de geheele bemanning verdronk. VERSIERDE TREINEN. De Duitsche troepen, welke van Namen uit naar het front werden gebracht, voelden zich zoo zeker van hun overwinning, dat zij de wagons versierden en allerhande opschriften op de wagens aanbrachten. DE AMERIKAANSCHE VREDESBEWEGING DE VREDESVLAG. Amerikaansche vrouwen hebben dit vaandel omhoog geheven. Een vrouwenstoet toog door New-York om voor het vredes-ideaal te propageeren. Wanneer zal deze witte vlag alom weder in Europa wapperen? VROUWELIJKE VR E DES B ETOOGI N G IN NEW-YORK. In New-York had een dezer dagen een Vredesbetooging plaats, welke geheel uit dames bestond. De stoet bevatte meer dan 2500 vrouwen, die met het vaandel voorop door verschillende straten van New-York trokken. DUITSCHE TROEPEN IN BRUSSEL. De Duitsche legermacht in Brussel is weder versterkt. Onze foto geeft de aangekomen troepen weer, opgesteld op de beroemde Groote Markt voor het Stadhuis.
PDF
Nummer
1914, nr.13, 23 sept. 1914
Blad
14
Tekst
'N ZONDERLINGE HENGELAARSTER oeden morgen, juffrouw I al wat gevangen?” Mijnheer Jodocus Pot was de beleefdheid in persoon. Zelfs nu, terwijl hij in den vroegen morgen met den hengel in de hand naar zijn geliefdkoosd plekje ging en hij tot de ontdekking kwam dat dit was ingenomen door een jonge hengelaarster, was hij de beleefdheid zelve. „Neen, niets!” De jonge dame draaide niet eens haar hoofd om, terwijl ze sprak. Haar woorden gingen vergezeld van een gemompel en ze wierp haar hengelsnoer met zulk een woede in het water, dat door het lawaai hierdoor verwekt wei alle visschen in den omtrek moesten vluchten. „Slechte vangst maakt een mensch uit zijn humeur,” dacht Pot. Hij was overtuigd dat de jonge dame lief en bevallig wezen moest. Ze was klaarblijkelijk een hartstochtelijke minnares van de hengelsport, dat ze reeds zoo vroeg er op uit getrokken was. Ze scheen geheel alleen te zijn en had niet het minste geluk. Geen wonder, Pot als ervaren hengelaar merkte op dat op de wijze waarop de johge dame vischte, zij geen kans had het minste „leven” te krijgen. „Ahem!” begon hij. „Het is een schoone morgen, hè! U heeft het beste plaatsje uitgekozen ! Het is hier vol visch 1” „Als het er zit, heb ik er nog niets van bemerkt”, antwoordde ze, terwijl ze het gelaat onafgewend op den dobber hield, die als een kleine boei op het water dreef. Wat ’n jammer dat de slechte vangst haar zoo onvriendelijk maakte. „Er is hier anders een massa visch, hoor I” ging Jodocus moedig voort. „Het is hier slechts vier voet diep en somtijds kan je den bodem zien.” De jonge dame slaakte eensklaps een kreet, die eindigde in een hevigen hoest. Mijnheer Pot was verwonderd en min of meer verschrikt. Hij had zeker haar ontevredenheid opgewekt door een of ander onvoorzichtig woord. „Ik dacht dat ik beet had,” zei ze, als ter verontschuldiging. „Geen sprake van,” antwoordde Pot beslist. Beet! Hoe naïef ! Als ze vischte zooals nu, dan kreeg ze nooit beet, al werd ze zoo oud als Methusalem. „De visch hier is erg schuw,” ging Pot voort. „Je moet niet zoo’n lawaai in het water maken. Het minste geplas jaagt de visschen weg. Mag ik weten waarnaar u aan het visschen bent ?” Als echt sportliefhebber was hij nieuwsgierig te vernemen welk soort visch de dame op deze wijze hoopte te vangen. „Kikkers!” antwoordde de jongedame kort. „Dan wensch ik u goeden morgen,” antwoordde Jodocus, terwijl hij zijn hoed afnam. Zelf in zijn woede over haar verregaande onvriendelijkheid bleef hij beleefd. „Maar als je soms voornemens geweest was naar iets anders te visschen, dan had je dat zóó moeten doen,” ging hij voort, terwijl hij zijn hengelsnoer uitwierp, volgens de regelen der kunst. Een oogenblik dreef zijn dobber op het water, toen verdween hij. „Beet!” riep hij uit, ten hoogste verwonderd, dat er nog eenige visch zoo stoutmoedig was op deze plek te verwijlen na de schrikwekkende prestaties van de jonge dame. Deze wendde nu voor het eerst het hoofd om, maar mijnheer Pot was thans te veel in zijn sport verdiept om haar eenige opmerkzaamheid te schenken. Had hij dit gedaan, dan zou hij zeker teleurgesteld geweest zijn, want de jonge dame was verre van mooi met haar stompneus, uitstekende wangbeenderen en half dichtgeknepen oogen. „Neen,” ging de heer Pot voort, mismoedig aan zijn hengel trekkende: „Neen het is geen visch. Wat kan ’t dan in ’s hemelsnaam zijn ? De haak schijnt ergens aan vast te zitten !” Hij was zoo druk bezig zijn hengelsnoer weer los te krijgen, dat hij niet eens opmerkte, hoe de dame haar hengel in het gras had neergeworpen en achter hem was komen staan. „Ik geloof dat hij losraakt”, mompelde Pot. „Maar wat kan dat voor den drommel....” Hij voleindigde den zin niet, want hij voelde twee sterke armen op schouder en rug en voor hij goed wist wat dit beduidde, was hij met hengel en al in het water geworpen. Het duurde wel vijf minuten, alvorens Jodocus hijgende en uitgeput en met een flinke hoeveelheid troebel water in zijn maag weer op den graskant zat. De jonge hengelaarster scheen genoeg van de hengelsport te hebben, ten minste er was geen spoor meer van haar te ontdekken. De ontmoeting van mijnheer Pot met de krankzinnige hengelaarster was spoedig onder alle kennissen bekend. „Je weet dat ik altijd het land heb gehad aan die akelige liefhebberij van jou” riep juffrouw Amalia Noest woedend uit, terwijl een kleur van verontwaardiging haar lief gelaat nog bekoorlijker maakte. „Ik vind visschen een vies, wreedaardig werk. ’t Is je natuurlijk te doen om van dat slechte vrouwenvolk te ontmoeten.” „Maar, mijn lieve Amalia”, pleitte Jodocus, terwijl hij trachtte haar kleine hand te vatten. „Je wilt toch niet beweren dat ik.... dat ik uitging om dat vrouwmensch te zien ! Ik verzeker je ....” „Hoe weet ik wat jij van morgen ging uitvoeren,” viel Amalia hem in de rede, terwijl ze van kwaadheid op den grond stampte. „Je zegt, dat je ging visschen. Wat? Je hebt niets gevangen! Je vangt nooit iets! Ik vind het een onhebbelijke gewoonte van je om ’s morgens voor dag en dauw uit te gaan voor niemendal!” „Maar lieve Amalia”, begon Pot weer wanhopig, geen kans ziende aan dien woordenvloed een einde te maken. „En toen je van morgen haar weer zag, haar,” barstte Amalia weer los, met een verachtelijken nadruk op het laatste woord, „toen kreeg je ruzie met haar en wierp ze je in het water. O, ’t is vreeselijk om er aan te denken. Zijn we daarvoor nu reeds drie jaar geëngageerd !” Er was zeker geen ongelukkiger man dan Jodocus Pot, dien avond, toen hij naar huis wandelde. Amalia was het liefste meisje in de wereld en hij hield heel veel van haar. Zij hadden slechts een duizend gulden noodig om te kunnen trouwen en de heer Pot had hard gewerkt en zuinig geleefd om van zijn mager salaris elke week wat ter zijde te leggen. En nu had Amalia hem verklaard dat ze nooit, nooit, nooit met hem zou trouwen als hij haar niet vertelde, hoe dat „creatuur” (zoo noemde ze de hengelaarster) heette en waarom hij met haar getwist had. Jodocus Pot zat op zijn kamer in zijn kosthuis, alleen, droevig voor zich uit te staren, toen hij onverwachts een tik op zijn schouder voelde. „Neem mij niet kwalijk, mijnheer, dat ik u stoor. Uw hospita zei mij maar naar uw kamer te gaan. Ik klopte aan maar ontving geen antwoord.” Het was een net gekleede oude heer, met grijs haar en glad geschoren gelaat, die met beleefden glimlach deze woorden sprak. „Ik vraag u beleefd,” ging hij voort, „mijn verontschuldigingen te willen aanvaarden, mijnheer Pot! U had van morgen een ontmoeting met een jonge dame. Die jonge DE STAF VAN DE 1e DIVISIE. Zittende van links naar rechts: Luit-Kol. Int. Harsveldt; Dir. Offic. van gezondheid 2e kl. Paré, Comm. v. h. Roode Kruis; Gen.-Maj. Koolemans Beynen; Gen.-Maj. Klerk de Reus, Divisie-Comm.; Luit-Kol.van den Gen. Staf Croockewit; Kapt. van den Gen. Staf Insinqer. Staande van links naar rechts: le Luit ten Have; Kapt.-Int. Vorstman; Offic. van Gezondh. le. kl. Dr. Voerman; Dir. Veldpost Benjamins; le Luit. v. d. Mandele; Dir. Paardenarts Muyzert: Hoofdambt. der telegr. Beuks; Kapt. (lid V. M. A. K.) v. Hoboken; le. Luit Wendelaar; le Luit-Kwartierm. van Oorschot; le Luit (lid V. M. A. K.) Meisner; Kapt Roell; le Luit-Adj. Bolt; le Luit (lid V. M. A. KJ van Kempen; Res.-Ritm. Völcker; 2e Luit (lid V. M. A. K.) Jhr. Sandberg; Kapt Prins; le Luit. de Jongh; Kapt. Hackstroh. dame is mijn dochter.” Mijnheer Pot sprong plotseling op. Als deze oude heer de vader der dame was, was hij misschien ook wel gek. Wie weet? Krankzinnigheid tast soms een geheele familie aan, had Pot wel eens gehoord. „Ik betuig u mijn leedwezen met het ongeval dat u trof, ten gevolge van het onverantwoordelijk gedrag van mijn dochter,” ging de oude heer beleefd voort. „Sophie is erg prikkelbaar. Zelfs als kind voerde zij allerlei streken uit.” (Jodocus dacht bij zichzelf wat een allerliefst kind zij moest geweest zijn). „Ik heb haar eens goed onderhanden genomen, mijnheer Pot! Ik heb ze zoodanig den mantel uitgeveegd, dat ze schreide of haar ’t hart breken zou, ’t arme kind! Ze zei me, dat ze niet kon slapen, als ze niet de zekerheid had, dat u haar vergeven had.” „Ik vind de handeling van uw dochter zeer onbezonnen,” antwoordde mijnheer Pot streng. „Onbezonnen is eigenlijk nog veel te zwak. ’t Was wreed, harteloos,” ging hij voort, denkende aan de gevolgtrekkingen die Amalia gemaakt had. „U heeft in alles volkomen gelijk, mijnheer,” ging de bezoeker voort. „Ik heb geen enkel woord van excuus. Het doel van mijn bezoek is u te vragen het geval te vergeten en u eenige schadeloosstelling aan te bieden. Ik had mij voorgenomen mijn dochter een pony te geven, doch ze moet nu maar wat wachten tot ze wat bezadigder geworden is. Ze zou het dier misschien al net zoo slecht behandelen als u.” Mijnheer Pot knikte slechts. De vreemdeling haalde nu vijf bankbiljetten van honderd gulden te voorschijn. Jodocus keek er naar. Sjongens, daarmee zou hij een flink eind naar de duizend opschieten. Als Amalia dat hoorde, was de vrede weer geteekend. „En nu, mijnheer Pot, heb ik u nog een verzoek te doen,” begon de oude heer weer. „Toen je vanmorgen mijn dochter wilde leeren, hoe rij visschen moest, gelukte het u met uw vischsnoer het een of ander beet te krijgen.” Mijnheer Pot knikte. „Zou u dit nog eens kunnen doen,” vroeg de oude heer. „Kijk eens ’, ging hij voort, toen Pot hem min of meer verwonderd aanzag. „Mijn dochter is erg kinderlijk. Ze zou graag het visschen willen leeren wat haar we1, niet gelukken zal. Ze wil morgen weer naar dezelfde plek gaan. Als het haar zou gelukken met haar haak onder water iets vast te krijgen, onverschillig wat, zou het haar reeds enorm plezier doen. Weet u de plek nog te vinden waar gisteren uw snoer vastraakte?” „O ja, op een duim na,” antwoordde Pot. „Welnu, mag ik u dan verzoeken, ons op die plaats te ontmoeten, mijnheer Pot? Ik mag dit evenwel niet van u verlangen zonder eenige vergoeding. Als u blieft, mag ik u dit aanbieden,” ging de oude heer voort en legde bij de vijf banknoten er nogmaals vijf neer. Ik wensch u nu goeden avond mijnheer, en betuig u nog wel mijn dank. Morgen zult u Sophie niet alleen ontmoeten, ik zal zelf mee komen. Nogmaals goeden avond, mijnheer. O, dat vergat ik nog, mijn naam is Karg, Emil Karg, advocaat. Apropos, u zult zeker over onze zaken wel tegen niemand spreken ?” Mijnheer Pot gaf hierop zijn woord. Toen de heer Karg vertrokken was en Pot, die hem uitgelaten had, weer op zijn kamer terugkwam, nam hij met een gelukkig gevoel de bankbiljetten op. Duizend pop! Hoe is ’t mogelijk? Nou, die oude heer had zeker ook een slag van den molen beet. Enfin, royaal was hij en blijkbaar rijk, onmetelijk rijk. Wat zou Amalia blij zijn ! Het was een heerlijke zomermorgen, toen Jodocus Pot naar de plaats wandelde, waar hij den vorigen dag, die zonderlinge ontmoeting gehad had. Toen hij er aankwam, was de oude heer reeds present, hij was echter alleen. Zijn dochter zei hij, was eigenlijk een beetje verlegen om hem te ontmoeten en daarom moest de heer Pot het hem maar eens voordoen en hem de plek toonen, waar hij gisteren met zijn hengelsnoer was vastgeraakt. Jodocus Pot maakte zijn vischgerij gereed. Hij bevestigde aan zijn hengel een extra sterken snoer en wierp hem in het water op dezelfde plek als gisteren. „Beet!” riep hij uit, toen hij bemerkte, dat de draad vast bleef haken. Het gelaat van den ouden heer Karg veranderde opmerkelijk van uitdrukking. Pot was evenwel zoo ijverig met zijn hengelsnoer bezig dat hij hiervan niets bemerkte. Hij werd evenwel aan de tegenwoordigheid van den ouden heer herinnerd door een eigenaardigen klank in diens stem, toen deze zeide: „En nu, mijnheer Pot, trek de lijn naar u toe, voorzichtig. Doe zooals ik u zeg en kijk eens hier!” Jodocus Pot keek om en tuimelde bijna opnieuw in de rivier, nu van schrik, want de oude heer hield dreigend een revolver op hem gericnfc Zijn vermoedens waren dus juist geweest, de oude was dus ook gek, evenals zijn dochter. Hij kon echter niets anders doen dan gehoorzamen. Hij trok en trok, voorzichtig aan, en bemerkte dat aan zijn hengel een dun koord vastgeraakt was. Karg pakte dit haastig beet en trok een kleine blikken doos uit het water, die aan het koord bevestigd was. Na deze doos zorgvuldig te hebben opgeborgen, boog hij voor den heer Pot en zei: „Ik wensch u goeden dag, mijnheer ! U heeft uw reputatie als hengelaar schitterend gehandhaafd. Apropos ! de bankbiljetten die ik u gegeven heb, zijn uitstekend en je zult geen moeite hebben ze uit te geven als je het maar gauw doet en je mond houdt over de manier waarop je ze gekregen hebt. Nu vaarwel, mijnheer Pot! Mijn dochter zal voorloopig wel niet meer op deze plaats gaan visschen. Je kunt er dus weer onbeperkt gebruik van maken.” En hiermee keerde hij zich om en ging heen. Drie maanden na de hierboven beschreven gebeurtenissen bevond zich de oude heer Mr. Emile Karg, nu bekend onder een minder deftigen naam in de bank der beklaagden in gezelschap van een jongeren metgezel, bijgenaamd „de Krullebol.” De politie had, dank zij de hulp van Jodocus Pot het geheele geval ontraadseld. De kleine blikken bus bevatte juweelen door de beide bandieten gestolen. De dieven hadden de bus aan een lang touw bevestigd in het water geworpen, juist op de plaats waar Pot gewoon was te visschen. Het koord scheen evenwel gebroken te zijn, en daarom was „de Krullebol”, als jonge dame vermomd, op die plek er naar aan het visschen gegaan met het hierboven beschreven gevolg. Ofschoon de eveneens gestolen bankbiljetten werden opgevorderd, zöoals de oude had voorspeld, had Pot geen reden om teleurgesteld te zijn over zijn gegeven inlichtingen, want hij werd door den eigenaar der juweelen ruimschoots schadeloos gesteld. Jodocus en Amalia trouwden nu spoedig en het was voor de laatste onmogelijk om jaloersch te zijn op „de Krullebol.”
PDF
Nummer
1914, nr.13, 23 sept. 1914
Blad
15
Tekst
Telefoonnummers ( 4827 en 10421. Telegram*Adres: Prins Hendrikkade 68. AMSTERDAM. Electro-Technisch Bureau VELDRUM. KONINKL. NEDERL. SIGARENFABRIEKEN EugèneGoulmy&Baar•y££ÏZtk STOKHUYZEN’S VRUCHTEN LIM. merk „RHENA”. ’t Hoogst bereikte op ’t gebied van Limonade. 1.1 Stainithtap- til Jamlabriek, llpbeo a. I. Mad= Recamier 5 cents Sigaar. A. v. d. HEIJDENs Leverpastei : DE BESTE. : Supérieur è tous les Tripie Sec Onder mrtrik eae befBofertonMe 5f»fmn.G£LDUfLANDOd£RUSflnDtVCM7£R ONDER RUKSTOEZ/CHT. | LIQUEUR I „COINTREAU 5 TRIPLESEC f Demandez: UN COINTREAU. >♦ A.P. D£ WAART. J" COMPLÉTE MEUBILEÊRING ISINCifcL.29. AMSTERDAM» I TtL «5“®2I4 0JT.EHS VRAAGT GEÏLL PRIJSCOURANT P. SLUIS. VOGEL- EN PLUIMVEEVOEDER Aubry Sisters* „Beauttfier” geeft, onmiddellijk na gebruik, een prachti g-blanke, matte teint, het verraadt zich niet en houdt de huid gezond en zacht als fluweel. Bij alle goede Coiffeurs f0.45 en f 1.15. Engros: AUBRY SISTERS' AGENCY. Laan van Meerdervoort, Den Haag. Telefoon 8296. Voor België: 36. Rue des Confédérés, Bruxelles C. L. VAN DEN DONK ’s-Gravenhage - Wagenstraat 41-43 AMEUBLEMENTEN Laat Uwe woning door ons goedkoop en degelijk inrichten. Nieuwe Ontwerpen - Smaakvolle Ensembles Teekeningen en geïllustreerde Prijscourant op aanvraag franco. TELEFOON 867 Franco levering American Importing Co. AMERICAN MANUFACTURERS AGENTS 107. KEIZERSGRACHT. AMSTERDAM. Dames! Vanaf f 1.50 zend ik LI franco huis een MOOIE HAARVLECHT volgens toegezonden staal. Van uitgevallen Haren worden mooie Vlechten gemaakt a f 1.— H. DE GROOT, kapper. Aelbrechtskolk 3, Rotterdam. Telefoon 637. KooniftynsLKratis op aanvraag CADEAU! QC ledige Stello 4-rtJ Doosies geven recht V|l|ne|l. i opeen • I prachtigen HOlldGfl | ZEGT HET VOORT! Vincent 1 ZBuitbnhavenw’eg 132 ® ScHIEQXM -TeLETOON NB 14 FXnftlFK MSN GrSMllJZKRpN lb3(K£N & Souede InschuifHekken ook. ocsrniKT MKW^ArsLnmNq van Baikons & Wj^lnda-s AUJts r.r.K?TE klas xvejql • Teekkmivocn vE^agcBAML MOOIE VORMEN. Wondervolle Buste en blanke huid verkrijgt en behoudt iedere Dame van eiken leeftijd door mijn methode. Uitwendig gebruik. Succes gegar. Zend adres en 5 cents postzegel en U ontvangt gratis inlichtingen. Malson NIEMANN, Adam. Da Costakade 43 M. huls. Spreekuur Tl ’sm. — 9 ’s av. SPECIALE FABRIEK VOOR rWINKEL: 'DOOZEN RET LIMMEM LRTROKKtM I KOPER KARDVAT EM ETIMTMOUOtR cr«a. • •® KOUTEN ZUWAMOEM- •• /<> i
PDF
Nummer
1914, nr.13, 23 sept. 1914
Blad
16
Tekst
PANORAMA-OORLOGSKAART XIII Leuven BRUSSELlouv'ièi lemen jtiltnnp LitvmO' Mtrchw 6 Grvndmtnil fivescArd H»uhnon< Jkntnr Dov/kn? ibbe^lk Htrmm T**inaturi &*Hub«rt c t VHubtïü Q) 'fanMg* •tkwi &dwnt. W> Ia A/a^^zZ/a •tyy>6A6* Qr&tnmtï r-, 'X^rh „-yMUUfUji Irwtfcr» ÏOftHttor fvstUt •FGöbajtn p—**/z '* öfr/TjT Hmpp ftrfoH Mpntfppf/ 9 \rriprbp r*C4Ï»ïï P*thp> T>uü«nhh tnnplfpi Htrmpiml/p Cfipttpt^ UH^ppp c JL*‘. Melitrt' Z*«trr<« . ^•*HZ / Momk Htolriu,! Ia&W* a?Mh 3‘ Gtrmein IhilonaN IfcrA/t ou/ogn« /

PDF
Blad 
 van 2380
Records 1041 tot 1045 van 11897