|
De Oude Barbier
Een Oorlogsverhaal
GENERAAL ONNES,
thans Garnizoens-Commandant van Rotterdam.
(foto J. H. Wolf.)
DE AARDBEVING TE BENKOELEN.
Te Benkoelen in Ned. Oost-lndie heeft voor eenigen tijd een aardbeving groote verwoestingen
aangericht. Vooral in het Chineesche kamp zijn, zooals op onze foto te zien
is, vele huizen ernstig beschadigd.
woedde de krijg alom. Op de uitgestrekte
slagvelden lagen vele duizenden dooden in het gelid,
zóó velen dat het een onmogelijkheid leek, ze allen
te begraven. De gewonden lagen dagen achtereen
te zieltogen, versmachtend van dorst en snakkend
naar den dood. Losse paarden waren dolzinnig over
den levenden vlper van stervende menschen gevloden, en hadden
borsten en schedels ingetrapt, de ledematen walgelijk verminkt.
De oogst was vertreden, in de akkers lagen tarwe, boekweit,
rogge verscheurd en neergeslagen. Hoeven, gehuchten, steden waren
platgebrand, geplunderd, uitgemoord.
In het grensgehuchtje Zaland heerschte echter rustige vrede.
Een kinderstem klonk van uit een boomgaard op. Uit een stal
wipte een troepje kakelende kippen, en uit het open venster van
den schoenmaker klonk rhythmisch hamergeklop.
Op den drempel van zijn huis, dat winkel, salon en herberg
tegelijk was, stond de brave, oude barbier I^eber. Hij zag er
ondanks zijn jaren nog vrij fiksch uit; zijn zorgzaam geschoren gelaat
en niet minder gladde schedel hadden in hun volkomen haarloosheid
iets zeer komisch, wat nog verhoogd werd door een zonderling
spel van trillingen om de oogen en de mondhoeken. Deze oude
man was een grapjas van het zuiverste water; hij kende de komische
werking van zijn gelaat, en buitte de voordeelen daarvan
uit. De laatste maanden was zijn guitigheid echter verdwenen.
Een zorgelijke trek was om zijn mond gekomen, en zijn eens zoo glinsterende koffiebruine
oogen waren min of meer dof geworden. Geen wonder. Reber’s eenige zoon was in dienst
gegaan. Hij lag aan de grenzen, meer oostwaarts, niet ver van het oorlogsterrein.
Deze jongen was zijn oogappel. De moeder was bij de geboorte van den knaap, nu
omstreeks twintig jaar geleden, overleden, en
nooit had de oude man er meer aan gedacht
te hertrouwen. Hij leefde voor zijn zoon en
had geen verlangen naar andere genegenheid
dan die van den jonkman. Ge kunt u voorstellen,
hoe bedroevend het afscheid was, toen
hij werd opgeroepen. Intusschen waren er een
paar brieven gekomen, en deze waren op den
gewonen vroolijken toon geschreven. Kom,
vader moest geen zorgen over hem hebben, hij
werd goed gevoed, het was er gezond leven in
het kamp, hun detachement nam geen deel
aan de veldslagen, en bewaakte alleen de
grenswegen. Alleen als hij, wat om de zooveel
tijd gebeurde, eenzaam op post stond, was hij
wel wat onrustig, zie je. Dan had hij, eerlijk
gezegd, de gewoonte om nog net als toen hij
een kind was, maar een liedje te zingen om
zijn bangheid te verjagen. Vader wist nog
wel, hè. Halliho! Halliho! Totol dat hij hemzelf
op zijn schoot geleerd had......... Nou,
maar die uren van eenzaam op post staan
gingen voorbij, al duurden ze lang. *
Aldus werd de vader getroost, zoo goed en
zoo kwaad als het ging. Maar den laatsten
tijd waren er geen brieven meer gekomen, en
de oude man was allesbehalve op zijn gemak.
Zoo stond hij op een mooien stillen avond
op den drempel van zijn woning, en zonder
het goed te weten rookte hij zijn pijp, en
tuurde soms den rechten landweg op, die in
de verte ineens een scherpe bocht maakte. Plotseling zag hij een eigenaardige verschijning
den weg opkomen. Hij schrikte ervan, en even trilden zijn oogen bij het
scherpe turen. De naderende man droeg de blauwe uniform der vijandelijke huzarenofficieren.
Hij zag er zeer verloopen en moe uit. De vreemdeling liep langzaam, maar
vóór de oude barbier zich goed en wel rekenschap geven kon van wat er geschiedde,
was hij achteruit geweken in zijn deurpost om den man door te laten.
Deze groette in de taal van den vijand, en Reber, die als alle grensbewoners deze
taal even goed als zijn eigene machtig was, groette terug en ofschoon ontroerd door het
onverwachte bezoek, vroeg hij op luchtigen toon waarmede hij den vreemdeling van dienst
kon zijn. Deze bestelde een glas bier, en dronk het heel schielijk uit, daarna nog een glas
en ledigde ook dat in een ommezien. Dan bestelde hij eenig eten. Terwijl Reber het in de
keuken bestellen ging, zette de officier zich in den leuningstoel, welke naast het buffet
voor een kleinen spiegel stond en als scheerzetel
dienst deed.
„Moet u geschoren worden ?” vroeg de oude
bij het binnenkomen, als hij den ander daar
zitten zag.
„Ja, dat was niet kwaad,” antwoordde de aangesprokene.
„Het is wèl noodig, hoog,” grinnikte Reber
met een glunderen blik naar de ruigbegroeide
onderkaak.
„Het zal gauw een kwarteeuw geleden zijn dat
uw gras gemaaid is.”
En hij ging gauw zijn gereedschap in orde maken,
aldoor glunder met het koddige gezicht heen en
weer schuddend. Hij had een heimelijk pretje dat
de man bij hem in huis was, en niemand van de
buren er iets van gemerkt had.
En deman dacht er heel niet aan, dat hij wel eens
tusschen vijanden verdwaald kon zijn. Hij, Reber,
sprak als grensbewoner de taal van den vreemdeling
even goed als zijn eigene, en werd dus
voor een landsman aangezien, en de barbier vond
het het veiligst, den man in dien waan te laten.
De officier had zijn bevuilde uniformjas uitgetrokken;
ook zijn met bloed en modder beklonterde
laarzen. Hij vroeg een kom met water en
Mr. u. van gigh 0011 handdoek, wiesch zijn hoofd en gezicht eens
de bekende Amsterdamsche advocaat, ferm af, en, nadat hij nog een glas bier gedronken
die onlangs is overleden. had, zette hij zich glimlachend in den scheerstoel.
Reber begon in te zeepen.
„Waar gaat u naar toe ?” vroeg hij al voortwerkend.
„Naar het dichtstbije spoorstation,” antwoordde de vreemdeling,
„hoe heet dat?”
„Lomar,” antwoordde Reber.
Lomar, een onbeduidend plaatsje, lag een jhalfuur gaans van
Zaland, echter aan den anderen kant der grens, en dus in het
land van den vreemdeling.
„Het is een halfuur loopen,” voegde de oude erbij.
„Ik heb niet zoo’n haast, zal nog wel een treintje pakken,” zei
de officier op luchtigen toon, „hoe heet dit gat hier ?”
„Zaland,” zei Reber kort, en zag daarbij den bezoeker wat
angstig ondervragend aan
„Nooit van gehoord,” glimlachte deze, en trok de schouders eens op.
„Waarheen is de reis, mijnheer?”
„Wel, naar mijn regiment, voor den duivel. Wat dacht je? Naar
mijn regiment, en daarmee naar de overwinning.”
„Zoo, mijnheer, zoo ?” deed Reber op verschrikten toon, en de
kwast kwam als bevend nabij den mond van den vreemdeling
neer, en liet een lillenden schuimvlok in den hoek der lippen.
„Ja, wat dacht je dan ? Dat we het zouden verlièzen ?” vroeg
verbaasd de vreemdeling, terwijl hij met de pink de schuim uit
den mondhoek wipte.
„Neen, neen, winnen natuurlijk,” zei Reber, die van het snelle
gebaar van den officier verschrikt was, en bedeesd verder werkte.
„Menschen als wij verliezen niet,” pochte de officier, „die doen
niet dan winnen. Jij als landgenoot moest dat begrijpen. Moest
een weergaloos vertrouwen in de troepen van je vaderland hebben.”
Reber boog zwijgend het hoofd, en werkte voort.
„Je had ons moeten zien,” vervolgde de vreemdeling, die door
het bier, het genot van de verfrissching en rust, en met een maaltijd
in het vooruitzicht gemoedelijk mededeelzaam werd, „je had ons moeten zien bij de voorposten
gevechten. Die verdoekte kerels hadden een reeks moestuinen van een heel groot
oud kasteel bezet. Die moestuinen zijn door dikke verbrokkelde muren omgeven, en daar
zaten me die rakkers achter. En schieten dat ze deden. Een hagelbui leek het. Wij
hadden weinig dekking, zoo goed als niets,
en onze mannen moesten er aan gelooven. Ze
vielen als muizen. Die vervloekte muur! Met
één mortiertje hadden we er gaten in geblazen,
maar we hadden geen geschut in de
buurt. Een karwei dat wij officieren hadden,
dat onze menschen niet aan den haal gingen.
Want man voor man viel. en van die kerels
daar achter die brokken konden we er geen
één raken.
De officier brak hier zijn verhaal even af,
en lachte eens bij de herinnering.
Reber stond zijn mes aan te zetten op zijn
oliesteen en schudde meewarig met z’n leelijken
kop; iets van „’t is toch wat te zeggen.”
„Natuurlijk hebben we met een paar compagnieën
versterking den moestuin tóch genomen,”
vervolgde de officier. „Wij namen alles.
Maar wat een brutaal volk. Bang zijn ze niete
hoor.... Tenminste (en hier moest hij ineens
luid lachen als bij een leutige herinnering),
tenminste gewoonlijk niet. Maar je hebt bange
ook. Dat verzeker ik je. Indertijd moesten wij
een detachement grenswacht overvallen. Ze
stonden ver uit elkaar. We namen er ieder
één voor onze rekening. Die van mij was al een
heele onnoozele. Die stond op zijn eenzame
post aan een boschkant tegen een aardappelveld
aan. En hij zong aldoor maar. Ineens
keerde hij zich om, en zag mij. Zijn lied stokte
in zijn keel of de stem werd afgesneden. Hij
ging tegelijk aan den haal en liet zijn geweer achter. Ik had een revolver. Maar Ik had er
plezier in hem met zijn eigen geweer dood te schieten. En voor hij tien passen ver was,
lag hij, dood als een pier. God zegene hem.”
Reber haalde voor de laatste maal zijn mes zachtjes over een oliesteentje, en begon
dan het op zijn handpalm heen en weer Te strijken.
„Ik moet nog om dat gezicht lachen,” lachte de bezoeker, „hij had lange rooie haren. ...”
Reber, die juist gereed met aanzetten was en naar den stoel terugliep, verschrok. Want
zijn jongen had ook rood haar, en lang, voor een soldaat althans. Het kwam ver onder
zijn pet uit. Maar neen, maar neen, er waren meer soldaten met rood haar, hè.
„Hij had net zoo’n koddig gezicht als jij”, barstte de officier nu uit, Reber, die hem
begon te scheren, eens aanziend, „net zulke scheeve oogen en zoo’n wijden mond om
iemand aan het lachen te maken of hij wil of niet. ’n Gek gezicht.”
Een schok voer door het lichaam van den oude.
Het zweet brak uit al zijn poriën naar buiten,
nu hij hoorde, dat de gedoode soldaat op hèm
leek. O, als het eens....
De benauwdheid van den armen oude was ontzaglijk.
Hij was bevend opgehouden met scheren,
en hield zich of het mes hem niet leek. Hij zocht
een ander, en zette dat nu aan op den oliesteen
met snelle streken. De bezoeker lachte nog steeds.
„Zingen .... Hoe mal,” zei Reber dan luidèr,
half tot zichzelf, half tot den bezoeker, „zingen ...
hoe is het mogelijk ....” „Wat zong hij dan wel ?”
De officier die aldoor lachte, bemerkte niets van
Reber’s veranderde gelaatsuitdrukking. „Ja, dat
lied zelf verhoogde het dwaze nog,” zei hij. „Het
had geen slot of zin. Aldoor maar zong de zot
dezelfde woorden; ik heb ze goed onthouden.
Halliho, toto, ging het maar. Halliho toto, zonder
afwisseling.”
De oude voelt als een bliksemsnel scheuren van
zijn hersens. Zijn gezicht wordt vaalgroen, de
oogen spalken wijd open.
Hij neemt het achteroverliggend hoofd met de
eene hand als naar gewoonte bij den neus, en
met een vreeselijk langzaam, bijna plechtig gebaar
als van een offerpriester, die een dier R bloembergen t
slacht, ZOO snijdt hij met het vlijmscherpe scheer- Een dezer dagen is te ’s-Gravenhage op 69-
mes door den strakgespannen strot, dóór en jarigen leeftijd overleden de Heer R. Bloem- loem-
° r o bergen, m leven Lid van de Eerste Kamer uOÓr. o. der Staten-Generaal.
|