|
EEN BRIEF VAN
=JOOPIE—
OORLOGSCORRESPONDENT
Niet
*at het pad van een oorlogscorrespondent
niet altijd
over rozen ging en zelf$
niet langs rozen, dat wist
ik reeds vóór ik het baantje
op mij nam.
iedereen is er voor geschikt.
Ik heb een collega ontmoet, die mij
een raadsel toeschijnt. Hij is een Hollander,
maar hij is Duitscher geweest.
Vroeger heeft hij veel paard gereden,
zelfs een militaire jachtrit gewonnen
en daarom kan hij heel slecht fietsen.
Het gevolg is, dat hij in een auto gaat
zitten en er niet uitkomt, te nauwernood
om allerlei dingen te telegrafeeren
die hij niet gezien heeft.
„Kijk eens Joopie,” zei-ie tegen me,
„niemand kan nagaan of wat ik sein de
waarheid is en bij gebrek aan nieuws
is een mooie leugen net zooveel waard als een goed bericht.”
Nou dacht ik, in mijn eenvoud, dat dit een journalistenmoraal
was, die in Nederland al lang tot de overwonnen
standpunten behoorde. Mijn vrouw ook — ik bedoel dat
zij het daarover geheel met mij eens is.
„ƒƒƒ seint en je schrijft niets,” heeft zij gezegd, „of ik'
moet het gezien of gehoord hebben.”
Dat is duidelijk!
Ik heb mij er trouwens naar gedragen. En dat kon te
eerder, omdat mijn echtgenoote uitstekende informaties
kreeg van de Duitsche officieren die wij spraken. Zij weet
nu precies waar je in Keulen de echte eau de cologne moet
koopen en dat je bij Tietz betere zijden blouses kunt krijgen
dan bij Wertheim, maar dat in het restaurant van
den laatste de geslagen room bij de Apfelkuchen veel
beter is dan bij den eerste. Dat laatste verzekerde een
kapitein, Herr Hauptmann zeiden ze tegen ’m, aan wien
mijn vrouw had gevraagd of ’t waar was dat alle officieren
corsetten dragen (zij is van de reform). De reus van ’n
kerel lachte eens goedig. Het is onbegrijpelijk dat ’n man,
die slagroom eet, pleizier heeft om op ’n slagveld te wezen,
maar je kon zien dat hij er liefhebberij in had. Voor een
Hollandsche cigaret (’t was een Engelsche, maar dat zei
ik ’m niet!) die-ik hem aanbood, was hij zeer erkentelijk,
maar ik kon hem zelfs voor een doosje vol niet bewegen
om me eens de brug over de Maas bij Visé heel van dichtbij
te laten zien.
Hij dacht misschien dat ik ’t wou afkijken en dat werkte
een beetje op mijn nationaliteitsgevoel.
„Hoor eens, capitano,” zei ik, „wij Hollanders hebben
ongeveer aan de heele wereld geleerd hoe je ’n brug over
een breed water moet bouwen. U moet ons niet komen
vertellen wat ’n biug en wat water is 1”
Dat stemde hem ’n toontje lager.
„Ik erken,” gaf hij toe, „dat de Hollanders knappe
mannen zijn. En knappe vrouwen óók,” voegde hij er bij,
met een saluut voor mijn wederhelft, die het compliment
incasseerde met de kalmte waarmede de kassier van den
Haagschen betaalmeester bankjes van duizend hanteert.
Maar, toen vond ik toch, dat het tijd werd om weer
naar Maastricht terug te gaan. Lord Kitchener heeft wel
aan zijn soldaten voorgeschreven om hoffelijk te wezen
jegens dames doch alle intimiteit te vermijden, maar een
dergelijke legerorder heb ik van veldmaarschalk Von Moltke
nog niet gelezen. En je kunt in den oorlog niet voorzichtig
genoeg zijn. Stel je voor, dat ik eens jaloersch werd en
daardoor Nederland’s neutraliteit in gevaar bracht 1 .... wij evenzeer in vuur als onze sigaren. Hij stelde zich niet
voor, ik deed het ook niet. Hij vertelde niet waar hij vandaan
kwam en wat zijn ambacht was, dus ik hield me ook
van den domme. Maar hij offreerde «en glas bier. Ik accepteerde
en weldra zaten we ieder achter een potteke.
Toen nam ik mijn overbuurman eens goed op. Wat
voor landsman was hij ? Hij had, bemerkend dat mijn
Limburgsch geen eerste qualifeit was, eveneens het dialect
laten varen en sprak nu beschaafd Hollandsch, maar een
beetje te mooi, met den vollen nadruk op de n’s, die wij
in den Haag altijd maar inslikken. Ook gebruikte hij veel
vreemde, bepaaldelijk latijnsche uitdrukkingen. Ik dacht
bij mezelf: gymnasium-opvoeding, misschien hoogeschool,
te goed Hollandsch voor een Nederlander, te deftig ....
En plotseling kwam ik tot de ontdekking dat hij een pruik
droeg! ! (Hier moeten twee uitroepingsteekens komen,
om goed mijn gevoel van schrik weer te geven).
Het leed geen twijfel voor mij of ik zat tegenover een
spion. Maar ik liet niets merken en ik zei tot mezelf: Joopie,
toon pu eens, dat je je Conan Doyle niet voor niemendal
hebt gelezen, en dat in iederen reporter een Sherlock
Holmes-ziel huist.
Dus: zeer groote algemeene ontwikkeling, een pruik.
Twee punten van uitgang. Aan de sigaar die hij rookte
was duidelijk het Bremer model zichtbaar. Derde aanwijzing.
Hij begon over ons leger te praten. Of het waar
was, dat er 150.000 man in Limburg waren ? Ik antwoordde :
meer dan het dubbele 1 En met het getal steeg mijn argwaan.
Of ik, uit Holland komende (hoe wist hij dat ?)
ook vernomen had of de Koningin in Amsterdam was?
De oorlog op de aarde heeft de belangstelling voor de gebeur- Hoe of het met den treinenloop van Maastricht naar het
tenissen aan het uitspansel, de Zonsverduistering, blijkbaar Westen stond ?
niet weggenomen. ’ Enfin, allerlei vragen waarop ik ontwijkend antwoordde,
Den volgenden dag wilde ik naar Haelen, omdat volgens
Deze interessante opname van de Zonsverduistering op 21
Augustus geeft het verschijnsel zeer fraai weer.
uitwierp, zijn wij vol
het mooie Stadhuis
af. Het is een knap
HET STADHUIS VAN ANTWERPEN.
Na de berichten die wij lazen van een Zeppelin, welke boven Antwerpen bommen
angst over de fraaie gebouwen, welke deze oude Scheldestad bevat. Een daarvan
aan de Groenmarkt, omringd van de oude welbekende geveltjes, beelden wij hier
staal van renaissance-stijl.
geruchten daar wat te zien en te beschrijven zou wezen.
Maar mijn vrouw was er tegen. Zij had haar eigen inlichtingen.
„Het is daar Haelen en brengen,” zei ze, „’t eene oogenblik
zijn de Belgen er de baas, ’t andere de Duitschers
en ik heb geen pleizier om tusschen twee vuren te komen.
Je hadt kans, dat je me als een zeef terugvond.
Nou, dat was verstandig geredeneerd. En dat zei ik
haar ook. Waarop ze opmerkte :
„Het is geluxkig, dat één van ons beiden verstand heeft.”
Nu, men heeft hier zijn verstand wel noodig, met al
die ellende die over de grens komt. Je hebt er geen idee
van waar de menschen vandaan komen.
Voorzichtigheid is de boodschap, want ze halen je zóó
uit je neutraliteit. Ik ben dan ook druk bezig om Limburgsch
te leeren. Dat is de neutrale taal bij uitnemendheid,
want zoowel een Duitscher als een Belg verstaat
die. De grammaire is niet moeilijk, want ze trekken zich
er niemendal van aan of het „dir” of „dich” is. Mijn leermeester
is zeer tevreden over mij. Hij beweert dat mijn
kennis van het Limburgsch voldoende zal wezen, wanneer
ik op één avond ten minste vier glazen alt beer kan drinken
zonder het nog langer zuur te vinden. Ik heb het nu tot
één glas gebracht. Dat is de lagere akte; vier is middelbaar.
De meeste Maastrichtenaren hebben doctoraten, in
het bierdrinken bedoel ik. Het is ongelooflijk dat die menschen
dergelijke hoeveelheden zuur bier wegwerken, zonder
zelf zuur te worden. Maar het tegendeel is waar; er is geen
enkele zure kerel bij, allemaal goedhartig en hulpvaardig
en altijd klaar om een schöpke „alt” te offreeren.
Die gulheid heeft me nog in ongelegenheid gebracht ook.
Mijn vrouw was in het hotel gebleven, ’s avonds, en
ik was nog een straatje omgegaan.
„Denk er om Joopie, had ze nog gezegd —• ze noemt
me altijd bij m’n „van” — dat je goed ziét met wie of
je omgaat en dat je je mond niet voorbijpraat.”
Nou, van die soort van raadgevingen ben ik voorzien;
ik gaf maar geen antwoord. De groote kunst in de conversatie
is toch om te luisteren.
Op de Parade maakte ik een praatje met een paar fabrieksmeisjes,
keek eens naar de soldaten van de wacht
en stak juist een versche sigaar op, toen ik we^d aangesproken
door een net gekleed heer van middelbaren leeftijd,
die me in tamelijk goed Limburgsch óók een beetje
vuur vroeg.
Van het eene woord kwam het andere en weldra waren
terwijl mijn zenuwen méér gespannen
werden. Hij nam afscheid, betaalde,
stond op. Ik volgde hem onbemerkt.
Onderweg nam hij iets uit een zakje,
at het op en wierp het zakje weg. Ik
raapte het papier op. Er stond: „Stollwerk,
Cöln” op en er was chocolade
in geweest, waarvan ik mij overtuigde
door er aan te ruiken (aan het zakje
bedoel ik). Hij bleek boven een herberg
te wonen. Ik noteerde straat en nummer,
ging naar huis en zei niets aan
mijn vrouw. Maar ik was besloten om,
zooals de politieagent in La fille de
Madame Angot zegt: d’avoir 1’oeil—et
le bon 1
Ik sliep weinig en reeds om 6 uur den
volgenden ochtend, het was de 21e,
stond ik in de buurt der woning van
mijn onbekende verdekt opgesteld. Een
jongetje met een handwagen kwam voor
de deur, mijn spion verscheen en spoedig
werd het handwagentje beladen met
allerlei vreemdsoortige instrumenten en
sloegen man, jongen en wagen den weg
naar buiten in. Ik volgde onbemerkt.
Meer dan een uur liepen wij. Toen
was hij met jongen en wagen aangekomen
op een heuveltje, een open plek. Ik kroop in
het lage hout aan den weg en bespiedde hem.
Hij zette verschillende instrumenten in elkaar die veel
van fotografietoestellen hadden, maar even goed konden
dienen om bommen te slingeren.
Dat passen en meten van zijn toestellen, die dan
hier, dan daar werden gesteld, duurde wel ongeveer
drie uur.
En van tijd tot tijd keek hij met een lang instrument
naar de lucht, alsof hij een vliegtuig of iets dergelijks
verwachtte.
Ook beproefde hij een kleinen, door accumulatoren
gevoeden, electromotor, waarvan ik het snorren kon
hooren.
Even over elf uur haalde hij een chronometer uit zijn
zak en gaf die aan den jongen, die er nauwlettend naar
keek.
Toen verbond hij den motor met een der toestellen
en keek weer naar de lucht. Heel in de verte meende
ik een stip te zien, als van een vliegtuig dat nader kwam.
Mijn argwaan was tot Eiffeltorenhoogte gestegen, maar
ik zelf bleef op den grond liggen.
Plotseling — het was even voor half twaalf — hoorde
ik den jongen zeggen : Tijd !
De motor werd in gang gezet, snorde onheilspellend ....
ik verwachtte een ongeluk.
Dus raapte ik al mijn vaderlandsliefde bij elkaar, sloop
als een panther door het kreupelhout, vloog het heuveltje
op en sloeg vastberaden mijn armen om hem heen, op het
» oogenblik dat hij een kijker-achtig instrument, dat er
als een klein kanon uitzag, wilde richten. Middelerwijl
siste ik hem in het oor :
„Je bent gesnapt, leelijke spion 1”
Zijn gezicht zal ik niet licht vergeten. Het werd eerst
wit, toen rood, toen roodblauw (de kleuren van onze vlag)
en toen, terwijl hij nauwelijks kon ademhalen, want ik
had hem stevig vast, lachte hij :
„Man, ik lach me nog een beroerte I Laat me toch los.
Ik neem foto’s van de zonsverduistering . . . .”
* * *
Dat ik dan ook niet aan die belabberde zonsverduistering
had gedacht 1
Zijn antwoord liet mij in de grootste verbazing.
Hopende, dat het bij U van hetzelfde is,
Hoogachtend
A. S. JOOPIE,
(Oorlogscorrespondent).
|